Gebruik als christen je gaven voor de gemeenschap

„Ook een gemeenschap als de CSFR heeft volop te maken met individualisering.” Foto: bijeenkomst van leden van het Rotterdamse Ichthus-dispuut van de CSFR, in maart 2019. beeld RD, Sjaak Verboom

In de huidige individualistische maatschappij moeten leden van de reformatorische gemeenschap juist verantwoordelijkheid tonen. Dat kan door zich in te zetten voor bijvoorbeeld een gemeente of christelijke vereniging.

De historicus Johan Huizinga wist in 1935 al profetisch te vermelden dat waanzin plotsklaps kan omslaan in razernij: „We leven in een bezeten wereld, en we weten het.” De vraag is of wij als zelfbewuste refo’s anno 2019 dat nog wel weten.

CFSR-Jubileum-ceesvdwal_34„Gemeenschap der heiligen roept op tot dienstbaar leven”

De waanzin vandaag de dag komt onder meer tot uiting in de verhitte discussie rond gender en geslacht, het vergaand knutselen met DNA en het voorgestelde euthanaseren van jonge kinderen. Kunnen wij, als de waanzin omslaat in razernij, terugvallen op onze gemeenschap? Of heeft de individualisering haar tol bij ons ook al geëist?

Geestelijke enkeling

Ook een gemeenschap als de CSFR heeft volop te maken met individualisering. Leden van deze studentenvereniging zijn minder betrokken op de vereniging en daarom minder vaak aanwezig dan vroeger. Van het individu wordt door de maatschappij immers veel gevraagd. Zo zijn er ook steeds minder studenten te vinden die verantwoordelijk willen zijn voor een bestuurs- of commissiefunctie. Verder constateren we dat leden, die vrijwel altijd afkomstig zijn uit de Biblebelt, zich als geestelijke enkeling in de stad vestigen. Niet iedereen kiest voor aansluiting bij een kerkelijke gemeente in de stad. De ontwikkelingen op de CSFR zijn volgens ons symptomatisch voor de hele gereformeerde gezindte.

En is het verder niet zo dat in menige kerkelijke gemeente, de plaatselijke gemeenschap der heiligen, de focus snel op het individuele zielenheil wordt gelegd? En dat geloofstwijfel tot rechtzinnigheid wordt verheven, waardoor men niet komt tot een sámenleven uit de zekerheid van het geloof, als leden van het ene lichaam van Christus? En sijpelt dit geestelijk individualisme niet door in het leven in alledag, wat zich bijvoorbeeld uit in een materialistische gerichtheid?

Dit alles brengt ons bij de vraag of wij als refo’s te midden van een individualistische cultuur nog wel weten hoe het is om in een geméénschap te leven. Daarom is het nodig om ons te bezinnen op de verhouding tussen het individu en de gemeenschap. Daarbij is het Woord van God onze beste leidraad.

In de brief aan de Romeinen beschrijft Paulus de houding van de christelijke gemeenschap binnen de heidense wereld. Er zijn veel overeenkomsten met onze tijd. Paulus roept de Romeinen ertoe op de wereld niet gelijkvormig te worden, maar veranderd te worden in hun gezindheid, om de wil van God te kunnen onderscheiden (12:2). Met deze vermaning van Paulus worden alle nieuwe leden van de CSFR geïnstalleerd, opdat ze zich hieraan spiegelen tijdens hun studie aan een seculiere universiteit of hogeschool.

Paulus zegt in dit verband tevens dat niemand moet roemen in zijn eigen individuele geloofsgave, maar dat bescheidenheid geboden is (12:3). De leden van het lichaam van Christus hebben immers niet allemaal dezelfde gave, maar ze hebben verschillende gaven van God ontvangen (12:4). Omdat wij allen leden zijn van het lichaam van Christus zijn wij bovendien leden van elkaar en horen wij dus bij elkaar (12:5).

Nieuwe schepping

Dit gedeelte uit de Romeinenbrief laat twee kenmerken zien van de juiste individuele houding binnen de christelijke gemeenschap. Allereerst kan het individu de wil van God onderscheiden door de nieuwe schepping, de vernieuwing van de wil, waarvan de heerlijkheid zo geroemd wordt in de Dordtse Leerregels.

Deze ongekende genade wordt wél vergezeld met de oproep tot bescheidenheid over de eigen gave. Daarnaast maakt Paulus duidelijk dat leden met individuele gaven elkaar kunnen aanvullen in de gemeenschap. De een heeft de gave van profetie, de ander die van dienstbaarheid, van onderwijs of van bemoediging.

Door de vernieuwing van de wil ontvangt de individuele mens dus een grote genade, maar hij wordt tegelijk geroepen om zijn gaven niet voor zichzelf te houden, maar in de gemeenschap in te zetten. Laten wij als reformatorische christenen deze vermaning ter harte nemen. Dat kan op vele manieren. Wij noemen er drie.

Het zou goed zijn wanneer de vooringenomen, kritische blik of afwijzende houding ten opzichte van gemeenschappelijke geloofsactiviteiten als Bijbelkringen of samen bidden met en voor elkaar werd losgelaten. Juist in kleine gezelschappen kunnen christenen elkaar tot een hand en een voet zijn en hun geloof delen.

Laten we elkaar daarnaast ontmoeten in dwarsverbanden die de kerkmuren overstijgen en ons richten op de eenheid van de christelijke gemeenschap, in plaats van op de verdeeldheid die Paulus zo betreurt (1 Korinthe 1).

Laten we in onze kerkmuren bovendien kerkramen maken! Om zó met ons licht in de individualistische wereld te kunnen schijnen, dat de liefdevolle gemeenschapszin van de stad op de berg niet verborgen kan blijven.

De auteurs zijn leden van Ichthus, het Rotterdamse dispuut van de CSFR. Dit artikel is geschreven met het oog op het lustrumcongres over ”individualisme” op 26 oktober in Rotterdam.