Ds. W. A. Zondag: Angst voor rechter bij kerkganger niet terecht

Prototie mr. Teunis van Kooten aan de VU Amsterdam. beeld Dirk Huckriede

Angst voor de burgerlijke rechter bij kerkleden is niet terecht, stelt ds. W. A. Zondag. „De overheid functioneert als een luis in de pels die de kerken activeert.”

De predikant van de gereformeerde gemeente in Woerden zei dat donderdag tijdens het symposium ”Het kerkgenootschap in de neutrale staat” bij de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Het symposium werd georganiseerd door het Centrum voor Religie en Recht, een samenwerkingsverband van de faculteiten godgeleerdheid en rechtsgeleerdheid van de VU. Het symposium vond plaats ter gelegenheid van de promotie donderdag van mr. Teunis van Kooten.

Ds. Zondag, voormalig hoogleraar arbeidsrecht in Groningen, sprak over de kerkelijke en de wereldlijke rechtsgang. Hij stelde dat kerkmensen vaak een beetje bang zijn voor de overheid. Volgens de predikant is dat onterecht, omdat de wereldlijke rechter in het algemeen een grote mate van terughoudendheid betracht ten aanzien van de kerkelijke rechtsgang.

2017-12-19-pkFLE2-TeunisVanKooten-4-FC_webMr. Teunis van Kooten: Vervang term ”kerkgenootschap” in de wet door ”religieus instituut”

De afgelopen jaren heeft overheidsdruk ook een positieve invloed gehad op de kerkelijke rechtspraak, concludeert ds. Zondag desgevraagd. „Bij het vaststellen van interne procedures kijken kerken in toenemende mate of die houdbaar zijn voor de burgerlijke rechter.” Hij noemt als voorbeeld de aanpassing van de appelprocedure binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, naar aanleiding van een rechtszaak rond de positie van een predikant. Volgens de predikant staan in de Bijbel situaties beschreven waarbij de overheid ingrijpt of had moeten ingrijpen. Hij verwees naar Jezus voor Pilatus. „We vinden allemaal dat Pilatus daar juist had moeten ingrijpen. Hij had Jezus moeten vrijlaten.” Ook in een ander opzicht zijn kerkmensen inconsequent, vervolgde de Woerdense predikant. „Als kerkmensen in hun belang worden getroffen, is het opeens helemaal geen punt meer om naar de wereldlijke rechter te gaan.”

Coulance

Ds. Zondag bepleitte een coulante opstelling van de kerkelijke rechter ten opzichte van de rechtzoekende. Hij noemde de situatie van een rooms-katholiek kerklid. Die ving op formele gronden bot bij de wereldlijke rechter, omdat die hem verwees naar de kerkelijke rechter. Toen hij zich daar meldde kreeg hij nul op het rekest, omdat hij te laat was met zijn vordering. Ds. Zondag: „Die man heeft gewoon een probleem. Dat moet worden opgelost.”

Mr. dr. Hansko Broeksteeg, universitair hoofddocent staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, ging in op de vraag hoe burgerlijke gemeenten moeten omgaan met kerkgenootschappen. Hij stelde dat subsidieverlening door de burgerlijke overheid aan diaconale activiteiten weleens tot problemen leidt. In Amsterdam keerde de gemeenteraad zich in een motie tegen subsidieverlening aan Youth for Christ, omdat die organisatie van zijn personeelsleden eist dat ze een christelijke geloofsovertuiging hebben. B en W verstrekten uiteindelijk toch de subsidie, omdat uitvoering van de motie zou neerkomen op discriminatie op grond van godsdienst.Volgens Broeksteeg hebben christelijke organisaties vanuit het idee van de neutrale staat net zo veel recht op overheidssteun als seculiere instellingen. De overheid dient de autonomie van die organisaties te respecteren en kerken en religieuze organisaties op gelijke voet te behandelen.

Broeksteeg vindt dat er bij gesubsidieerde organisaties geen vermenging mag plaatsvinden van religieuze en maatschappelijke activiteiten. Gesubsidieerde hulp aan dak- en thuislozen is in zijn ogen bijvoorbeeld niet te combineren met evangelisatie. Anders subsidieert de overheid evangelisatiewerk en komt zij op het geestelijk terrein van de kerk.

Broeksteeg gaf aan dat de overheid aan organisaties wel eisen mag stellen bij de subsidieverlening. Bijvoorbeeld dat de vrijwilligers bepaalde vaardigheden moeten hebben, of een verklaring omtrent het gedrag.

Prof. mr. drs. Ben Vermeulen, hoogleraar onderwijsrecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en aan de VU, sprak over de betekenis van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM). Dat artikel gaat over de vrijheid van geweten en godsdienst. Vermeulen stelde dat de vrijheid van geweten historisch en filosofisch het oudste mensenrecht is. „Het besef dat het individu het statelijke overstijgt, ligt ten grondslag aan de vrijheid van godsdienst in de zestiende eeuw.” Sindsdien waarborgt de staat dat ook minderheden een eigen plek in de staat krijgen.

Vermeulen gaf aan dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) veel ruimte geeft aan het individu om te bepalen wat iemand als godsdienst of levensovertuiging ziet. Pacifisme bijvoorbeeld valt onder de vrijheid van levensovertuiging. Het begrip ”godsdienstige handeling” legt het EHRM daarentegen beperkt uit. De weigering van een apotheker om anticonceptiemiddelen te verkopen werd bijvoorbeeld niet als een godsdienstige handeling gezien. Vermeulen heeft begrip voor deze opvatting. „Anders wordt godsdienstvrijheid oeverloos.”Vermeulen waarschuwde voor een subjectieve opvatting van godsdienstvrijheid. Die maakt het mogelijk om bijvoorbeeld ook voetbal als godsdienst te beschouwen. „Mensen die godsdienstvrijheid willen afschaffen, volgen die lijn. Vaak onder het mom van bescheidenheid: wie is de overheid om te oordelen wat wel of niet godsdienst is?”

„Pastafarians geen kerk om gemis ernst”

De Kerk van het Vliegende Spaghettimonster kan niet als kerkgenootschap worden beschouwd, omdat de volgelingen ervan, de zogeheten pastafarians, geen ernst maken van hun vermeende godsdienst.

Dat stelde mr. Teunis van Kooten donderdag bij zijn promotie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Van Kooten promoveerde op het proefschrift ”Het kerkgenootschap in de neutrale staat. Een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde”.

De jurist concludeert dat de Kerk van het Vliegende Spaghettimonster een parodie vormt op bestaande kerken. „In de rechtspraak zijn criteria ontwikkeld aan de hand waarvan beoordeeld wordt of een verband wel of geen kerk is. Een van die criteria is ernst. Die ontbreekt bij de vermeende Kerk van het Vliegende Spaghettimonster.”