Doop niet in plaats van besnijdenis

„De besnijdenis is primair voor Israël, de doop voor gelovigen uit Israël en de volken.” Foto: doopvont in de christelijke gereformeerde kerk in ’s-Gravenzande. beeld RD

De Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk in Nederland deed onlangs het voorstel om enkele woorden aan het doopformulier toe te voegen. Dit om meer duidelijkheid te verschaffen inzake de relatie doop en besnijdenis. Het is de vraag of dat navolging verdient.

Het is misschien wel de meest omstreden zinsnede in het klassieke doopformulier: de bewering dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. Dezelfde uitspraak komt ook voor in de Heidelbergse Catechismus (antwoord 74) en is dus diep verankerd in de gereformeerde traditie.

Maar deze woorden zorgen ook voor verlegenheid. Want is dit wel correct? Suggereert dit niet dat Israël geen rol van betekenis meer speelt in het heilsplan van God? En, om wat dichter bij huis te komen, passeert de kerk daarmee niet Messiasbelijdende Joden voor wie de besnijdenis (evenals het geloof in Christus) een onmisbaar onderdeel van hun Joodse identiteit vormt?

Etnisch

De besnijdenis is, sinds God Abraham hiertoe de opdracht gaf, het teken van het verbond tussen God en Israël. De besnijdenis heeft dus een etnisch element: het is een teken dat men bij Israël hoort. Daarnaast heeft de symboliek van de besnijdenis in het Oude Testament een diepgeestelijke betekenis: ze verwijst naar de innerlijke vernieuwing –de besnijdenis van het hart– die nodig is om God in waarheid te kennen en te dienen (zie Deut. 30:6).

De apostel Paulus neemt deze symboliek over in Kolossenzen 2, als hij schrijft dat gelovigen „besneden zijn met een besnijdenis die zonder handen geschiedt door het uittrekken van het lichaam van de zonden van het vlees” (Kol. 2:11). Deze geestelijke besnijdenis vindt plaats door het deelhebben aan Christus en Zijn heilswerk en is werkelijkheid voor allen die in Christus geloven, zowel Joden als heidenen.

Maar hoe zit het nu met de fysieke besnijdenis? Veel Joden, zowel zij die in Jezus als de Messias geloven als zij die niet in Hem geloven, brengen de besnijdenis tot op de dag van vandaag in praktijk. Dat ligt anders voor christenen uit de heidenen. Zij horen niet bij Israël en hoeven hun jongetjes dus ook niet te laten besnijden. Het Nieuwe Testament geeft dan ook nergens een dergelijke opdracht.

De apostel Paulus verzet zich zelfs sterk tegen hen die menen dat gelovigen uit de heidenen dit ook moeten doen (Gal. 5:3). Hoewel hij geen moeite heeft met de besnijdenis op zich –hij heeft immers zelf Timotheüs besneden om de band met Joodse gelovigen goed te houden– protesteert hij scherp tegen hen die menen dat dit heilsnoodzakelijk is. De besnijdenis is dus toegestaan aan Joodse gelovigen, maar is niet heilsnoodzakelijk en geldt zeker niet voor gelovigen uit de heidenen.

Wel heeft de Heere Jezus de opdracht tot de doop gegeven. Onder het nieuwe verbond is dus de doop het teken van het verbond. Dat geldt net zo goed voor Joden die in Jezus geloven. Messiasbelijdende Joden laten zich dan ook dopen.

Daarnaast past een groot gedeelte van hen nog steeds de besnijdenis toe. Voor hen is dit een teken dat zij bij Israël horen. Zolang dat niet als verplichting gezien wordt, is dat ook toegestaan. De besnijdenis is voor hen het symbool dat ze bij Israël horen, de doop dat ze bij Jezus horen.

Relatie

Hoe zit het nu met de relatie tussen doop en besnijdenis? Dát er een relatie is, is duidelijk. Immers, zowel de doop als de besnijdenis verwijst naar de vernieuwing die door Christus werkelijk en mogelijk is geworden. Het wegnemen van de voorhuid wijst op het afleggen van de oude mens; de ondergang in of de besprenkeling met het water verwijst naar het sterven van de oude mens.

Het verschil is dat wat onder het oude verbond een heenwijzing was naar een werkelijkheid die nog niet voorhanden was, onder het nieuwe verbond in Christus realiteit is geworden. De besnijdenis heeft dus haar vervulling gevonden in het heilswerk van Christus. Van dat heilswerk getuigt de doop. In die zin kan gesteld worden dat de besnijdenis haar vervulling heeft gevonden in de doop, als teken van Christus. „Wat in de besnijdenis werd beoogd, wordt in de doop gerealiseerd” (B. Loonstra).

Maar betekent dit dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is? Daar zijn toch wel wat kanttekeningen bij te plaatsen. Vervulling is niet hetzelfde als vervanging.

Overbodig

Hoewel het in geestelijke zin terecht is om te stellen dat de besnijdenis overbodig is geworden –want de vernieuwing waar de besnijdenis naar verwees, is in Christus werkelijkheid geworden– ligt dat bij de fysieke besnijdenis problematischer. Nergens zegt het Nieuwe Testament dat de besnijdenis is afgeschaft. Het feit dat de ”betekende zaak” nu werkelijkheid is geworden, betekent nog niet dat het teken er nu niet meer toe doet. Al is het evident dat de besnijdenis voor gelovigen uit de heidenen niet meer nodig is, zoals die voor proselieten onder het oude verbond wel nodig was, dit ligt voor Joden –vanwege hun etnische verbondenheid met Abraham– toch net even iets anders.

Er ligt nog een gevaar op de loer. De uitdrukking ”doop in plaats van besnijdenis” zou ook kunnen suggereren dat Israël afgedaan heeft. Een Jood, en ook een Messiasbelijdende Jood, zou erin kunnen horen dat Gods verbond met Israël nu niet meer geldt en dat zelfs het teken van dat verbond, de besnijdenis, afgeschaft is.

Dat is niet juist. Al is het waar dat het grootste gedeelte van de Joden niet in Jezus gelooft, al ligt er een bedekking op hun aangezicht en staat Israël zogezegd op een zijspoor, dat betekent niet dat Israël voor God heeft afgedaan. De Heere heeft nog een toekomst voor dit volk. Dan zal Hij Zich opnieuw tot dit volk wenden en zal het tot kennis en erkenning van Jezus de Messias komen.

De gedachte dat Israël afgedaan heeft en de kerk in de plaats van Israël gekomen is, doet geen recht aan de Schrift. Daarom is er alles voor te zeggen dat, vanwege de blijvende trouw van God aan Zijn verbond met Israël, Joden (ook Messiasbelijdende) hun kinderen mogen besnijden. Het past christenen niet om zonder meer te zeggen dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. De besnijdenis is primair voor Israël, de doop voor gelovigen uit Israël en de volken.

Respect

Er zijn drie opties om te voorkomen dat de uitdrukking ”doop in plaats van besnijdenis” verkeerd wordt opgevat:

1. Bijvoorbeeld door toe te voegen: „onder het nieuwe verbond”: „...omdat onder het nieuwe verbond de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is.” Deze optie heeft als voordeel dat duidelijk gemaakt wordt dat de doop te maken heeft met het nieuwe verbond. Nadeel is dat de uitdrukking ”in de plaats van” nog steeds suggereert dat Messiasbelijdende Joden niet meer mogen besnijden.

2. Of door toe te voegen: „voor de gelovigen uit de volken”: „Omdat nu (voor de gelovigen uit de volken) de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is, behoort men de kleine kinderen (...) te dopen.” Dit is de suggestie die de Gereformeerde Bond onlangs heeft gedaan. Voordeel hiervan is dat er duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen Joden en gelovigen uit de volken.

3. Ten slotte is ook ”naast” een optie: „omdat onder het nieuwe verbond de doop naast de besnijdenis is gekomen.” Daarmee is de noodzaak van de doop erkend, maar blijft er ruimte voor de praktijk van besnijden.

Bij elke formulering zijn wel voors en tegens te bedenken. Zoals prof. dr. J. van Bruggen eens zei, is de relatie besnijdenis-doop „niet uit te bouwen tot een systeem.” Als maar duidelijk is dat de kerk geen vervanging van Israël is en dat Israël voor God niet heeft afgedaan. Vanuit respect voor Joodse Messiasbelijdende christenen dienen we hun de ruimte te laten om hun kinderen niet alleen te laten dopen, maar hun daarnaast ook het teken van het verbond van God met Israël toe te dienen.