Spanning evolutietheorie en theologie niet bevredigend opgelost in nieuwste boek

Schepping en evolutie
„Het algemeen onbetwijfeld geloof in de evolutietheorie wordt in twee hoofdstukken onderbouwd.” beeld NASA
2

Het is niet makkelijk om het boek ”En God zag dat het goed was” te bespreken. Gezien de gevoeligheid van het debat waarover het boek gaat, wordt je bespreking algauw het object van argwanende lezing.

De redacteuren komen er in de inleiding maar meteen rond voor uit. Wat hen betreft is debat welkom, maar de grenzen worden duidelijk gesteld: de status van de evolutietheorie staat niet ter discussie. Waar het debat over mag gaan is hoe de theologie zich zo kan aanpassen dat ze naast de evolutietheorie nog bestaansrecht overhoudt. Uit vrijwel alle hoofdstukken blijkt dan dat de klassiek gereformeerde manier van Bijbellezen buiten dat bestek valt. Er zijn eigenlijk maar vier hoofdstukken waarin nog uitgegaan wordt van die vorm van theologiseren. In de andere hoofdstukken gaan allerlei wissels om, die eigenlijk in het boek dat aanleiding gaf tot deze bundel (”En de aarde bracht voort” van prof. Gijsbert van den Brink) al omgegaan waren.

De onevenwichtigheid van de bundel nodigt dus niet echt tot een open gesprek. In het laatste hoofdstuk constateert Van den Brink dat er op een aantal punten consensus groeit tussen de verschillende partijen. Maar die conclusie is wel grotendeels te danken aan de eenzijdige selectie van auteurs.

Het algemeen onbetwijfeld geloof in de evolutietheorie wordt in twee hoofdstukken onderbouwd. In een bijlage achter in het boek zet René Fransen op kundige wijze de natuurwetenschappelijke argumenten op een rij. In een voorafgaand hoofdstuk wordt de wetenschapsfilosofische status van de evolutietheorie verdedigd. Ik las dat hoofdstuk met rode oortjes omdat de redacteuren mij hadden gevraagd om op een conceptversie van die tekst te reageren. Ik verbaas mij erover dat er zinnen staan als: „Centrale onderdelen van de natuur- en scheikunde, zoals de relativiteitstheorie, (...) zullen niet meer volledig verworpen worden”, hooguit „verfijnd” of vervangen door meer omvattende theorieën. Wie de geschiedenis van de natuurkunde kent, weet dat de klassieke mechanica pas na enkele eeuwen (!) aan het einde van de negentiende eeuw door kwantummechanica en relativiteitstheorie vervangen werd. Alleen in een instrumentalistische visie op wetenschap (theorieën als rekenmiddeltjes, maar niet noodzakelijk weergave van de werkelijkheid) kan die overgang gelden als een verfijning. Begrippen als massa en tijd kregen een diepgaand andere metafysische betekenis.

Bewijsvoering

De auteur noemt het onderscheid tussen experimenteel en observationeel „bewijs” (het gebruik van die term lijkt mij hier wetenschapsfilosofisch problematisch) en beweert terecht dat die beide degelijke argumenten kunnen geven. Maar hij noemt niet de aard van de bewijsvoering waar het in de evolutietheorie vooral om gaat, namelijk de hermeneutische (ik kan het verschijnsel niet rechtstreeks waarnemen, maar moet het doen met interpretatie). Natuurlijk speelt interpretatie ook een rol bij rechtstreekse waarnemingen, maar die rol is evident zwaarder als het verschijnsel niet waargenomen kan worden.

Eén keer vervalt de auteur zelfs in een stroman-argument. Hij blaast eerst de opmerking dat de evolutietheorie afhankelijk is van aannamen op tot de bewering dat het gaat om „twijfelachtige” aannamen, om dan de onredelijkheid daarvan te gebruiken als argument tegen de oorspronkelijke opmerking. Iedereen zal toegeven dat de aannamen waarop de evolutietheorie berust alleszins redelijk zijn, zolang er geen aanleiding is om anders te veronderstellen. Maar wat als die aanleiding er vanuit een andere discipline wel is? Is er dan de openheid om de aannamen ter discussie te stellen? Wat de auteur van dit hoofdstuk betreft niet, en dat lijkt me wetenschapsfilosofisch gezien geen sterk standpunt.

Alle overige hoofdstukken gaan over de theologische consequentie van de evolutietheorie. Van sommige hoofdstukken had ik de indruk dat ze niet veel meer toevoegden nadat in de inleiding door de redacteuren (geheel terecht) het verschil tussen evolutietheorie en evolutionisme (als wereldbeschouwing) opgevoerd was. Dat de evolutietheorie daarom niets zegt over de mogelijkheid van een Schepper betekent alleen dat we het begrip ”toeval” goed moeten interpreteren (zoals in het hoofdstuk van Van Woudenberg op de zorgvuldige wijze die we van hem als analytisch filosoof gewend zijn wordt beschreven), maar dat hier geen fundamenteel geschil ligt tussen evolutietheorie en theologie en het idee van leiding door God.

Wel een mooie aanvulling is het hoofdstuk over taalgebruik, waarin betoogd wordt dat de natuurwetenschap zich niet leent voor het stellen en beantwoorden van existentiële vragen. Dit is een van de weinige hoofdstukken waarin grenzen van de natuurwetenschap benoemd worden.

Bij de hoofdstukken over de historiciteit van Genesis valt mij op dat het steeds terugkerende woord ”teledoth”, dat voor het eerst in Genesis 2:4 (!) valt, wel genoemd door Eric Peels en niet door Koert van Bekkum, helemaal niet gezien wordt als problematisch voor het maken van een scheiding tussen protohistorie en historie, terwijl dat het exegetisch toch wel degelijk is.

Lezing

In een aantal hoofdstukken wordt een niet-historische lezing gesuggereerd (zoals die waarin Genesis 1 verbonden wordt met de tempelbouw) die zeker mogelijk is en ook een rijker inzicht in de tekst geeft, maar een historische lezing niet uitsluit. Een tekst kan immers meerdere lagen hebben. Ik zie dus niet waarom zo’n alternatieve lezing een argument tegen een historische lezing kan zijn. Evenzo begrijp ik niet waarom de fundering van het sabbatsgebod in Exodus 20 in mindering gebracht moet worden op de alternatieve fundering in Deuteronomium 5. Dat er verschillen zijn tussen Genesis 2 en Exodus 20 is duidelijk, maar ook daarvan ontgaat mij de argumentatieve kracht tegen de letterlijke opvatting van de scheppingsdagen.

Ik was best geschokt door de suggestie in het hoofdstuk over de uitleg van Romeinen 5 dat Paulus’ woorden gebaseerd zijn op de veronderstellingen die hij als „kind van zijn tijd” maakt. Als dat betekent dat de Bijbeltekst woorden bevat die cultuurbepaald zijn en niet meer voor ons gelden, ook daar waar ze, zoals hier, nadrukkelijk zelf die tijdonafhankelijke claim wel degelijk maken, is er wel een heel ingrijpende andere visie op de inspiratie van de Bijbel in het spel. Ik mag hopen dat ik dit verkeerd begrijp of dat er sprake is van een ”slip of the pen”.

Enkele hoofdstukken benoemen een zekere verlegenheid. Het hoofdstuk over dood en lijden voor de zondeval eindigt met de constatering dat een echte oplossing om evolutietheorie en Bijbel te verenigen niet gevonden is. Eén auteur lost het op door geloof en wetenschap helemaal los te koppelen. „Evolutie is geen handeling van God.” Dat lijkt aantrekkelijk maar vraagt wel een erg gespleten denken. In andere hoofdstukken worden oplossingen gesuggereerd als: het is niet in strijd met Gods karakter om offers te vragen ten behoeve van de ontwikkeling van de mensheid (maar offers kom ik toch echt alleen na de zondeval tegen!), of: de mens was al sterfelijk geschapen (ja, dat wel, maar sterfelijk is nog niet stervende, net zoals een breekbare vaas nog niet gebroken is).

Het feit dat zulke in mijn beleving gekunstelde oplossingen gezocht worden, laat zien hoezeer de Bijbel op het procrustesbed gelegd moet worden om gedwongen te worden tot bekentenis van verenigbaarheid met de evolutietheorie. De noodzaak daartoe ontstaat omdat de evolutietheorie voor onaantastbaar gehouden wordt.

De indruk die het boek achterlaat bij de lezer is het oude positivistische idee dat de natuurwetenschappen de meest betrouwbare kennis opleveren en dat je in andere wetenschappen alle kanten op kunt. Terecht komt het hoofdstuk over de rol van niet-theologische wetenschappen in de theologie daartegen in het geweer. Ik sluit me daar graag bij aan: laten de theologen eens wat meer hun rug rechten en opkomen voor wat in hun vakgebied toch ook paradigma’s mogen heten met een door velen onderschreven gezag.

Waarom niet de mogelijkheid openlaten dat de wording van hemel en aarde en van de verscheidenheid van het leven een gebied is waar het instrumentarium van de natuurwetenschappen eenvoudigweg niet goed bij kan. Daarmee word je helemaal geen „wetenschapsscepticus”, zoals het hoofdstuk over wetenschapsfilosofie suggereert. Deze optie van de ”docta ignorantia” kom ik in het hele boek niet tegen. In de geboden alternatieven wordt de spanning tussen evolutietheorie en (gereformeerde) theologie in elk geval niet bevredigend opgelost.

William den Boer, René Fransen en Rik Peels (red.), En God zag dat het goed was; uitg. Summum; 426 blz.; € 19,99