Veroordeeld tot de waarheid

Joshua Livestro, columnist en essayist, groeide op in een klassiek liberaal nest. „Het besef van de waarde van deugden als moed en gematigdheid is bij mij nooit naar de achtergrond verdwenen.” Foto Paul Dijkstra Paul Dijkstra

Joshua Livestro voert het debat graag op het scherp van de snede. Hij is uitgesproken rechts en schaamt zich zijn opvattingen niet. De media zijn links, zegt hij, en ook de Evangelische Omroep moet wat hem betreft oppassen dat hij de kloof met de wereld niet dicht met een verwaterde boodschap. Zelf maakte de columnist tien jaar geleden voor het eerst de gang naar de kerk. Hoe heeft hij die stap ervaren? „M’n hele leven ging op de mestvaalt toen ik ontdekte dat de wet van mensen volmaaktheid vraagt.”

Lange tijd was Joshua Livestro (37) actief dammer. Tijdens zijn studie politieke wetenschappen aan de Universiteit Leiden schopte hij het zelfs tot kampioen onder de Nederlandse studenten. „Het spel heeft me geleerd om niet alleen te kijken naar wat leuk oogt, maar ook te letten op de vraag welke strategie het beste werkt. In politieke zin ben ik geen man van het getuigenis, maar iemand van koele berekening.”

Vorige maand deed u, na uw ontslag als columnist bij een tv-programma van de NPS, een boekje open over linkse media. Was die actie, om in damtermen te spreken, een valluikslag?
„Eerder een bomzet”, lacht hij. „Hoe dan ook, het voordeel was aan mijn kant. Allereerst was er het verrassingseffect: na m’n ontslag schreef ik een column in De Telegraaf waarin ik aangaf hoe links zo’n gesubsidieerde omroep is. Daarna kwam de NPS met het obligate antwoord: „Nee hoor, die Livestro kan het echt niet.” Mijn volgende zet was dat ik aan de hand van de notulen van redactievergaderingen liet zien dat er met mij niets aan de hand was. Carel Kuyl van de NPS kon toen niets anders meer dan mij voor leugenaar uitmaken. Nu ja, als mensen dat doen, dan weet je dat je het spel hebt gewonnen.”

Zijn de media echt zo links?
Met een grijns: „Gelooft u mij maar.”

Jaja.
„Serieus: mensen hebben geen idee wat er met hun belastinggeld gebeurt.”

Onderzoek van de twee universiteiten in Amsterdam wijst uit dat journalisten een voorkeur voor links hebben, maar dat uit niets blijkt dat hun artikelen zelf ook links zijn.
„Ik ken dat rapport, het is een flutonderzoek. Als het gaat om het tv-programma Buitenhof: Let op de samenstelling van redactie, let op de gasten die worden uitgenodigd. Let ook op de onderwerpskeuze. Hoe zielig zijn Palestijnen? Hoe belangrijk is Europa?”

In uw column in De Telegraaf nodigde u ict-icoon Roel Pieper uit een conservatieve omroep op poten te zetten. Zijn er al gesprekken gevoerd?
„Nog niet, maar wat niet is, kan komen. Pieper is een man van het internet, misschien moeten we iets via dat kanaal opzetten.”

Joshua Livestro, columnist en essayist, bruist van ideeën. Geen mogelijkheid laat hij onbenut om zijn gedachtegoed uit te dragen. Hij noemt zichzelf schaamteloos rechts en geeft zijn bespiegelingen over recht en orde, rust en regelmaat, integratie en immigratie zowel in nationale als internationale media ten beste. Livestro schrijft met flair. Hij is gedegen en belezen, nodigt uit tot discussie en overweging, en kiest daarom soms bewust voor de korte bocht.

Met zijn rechtse opvattingen volgt Livestro de koers die zijn ouders hem als tiener al voorhielden. De columnist groeide op in Amersfoort, in een gezin met vijf kinderen. „De VARA kwam bij ons nooit op de buis. Als dat bij vergissing toch gebeurde, werd de knop meteen vol afgrijzen omgedraaid. Wij waren voor goed fatsoen. Mijn moeder had een klassiek-liberale voorkeur. Zij was, net als veel andere VVD’ers in die tijd, lid van de EO.”

Na het gymnasium studeerde Livestro politieke wetenschappen, onder andere bij de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging. „Hij heeft mij diepgaand kennis laten maken met de traditie van de Grieken en de Romeinen, waarin deugden als moed, gematigdheid en rechtvaardigheid centraal staan. Mensen die meer kunnen dan anderen, weten zich tot meer verplicht. Niet door de overheid, maar door een verinnerlijkt zedelijkheidsbesef.

Het was voor mij een openbaring om te zien dat die traditie dezelfde was als die waarin ik was opgegroeid. Thuis en op het gymnasium. Andreas Kinneging gaf ze opeens een filosofisch fundament.”

Heeft u als tiener nooit de bloemetjes buitengezet?
„Het is niet zo dat ik van jongsaf heb geprobeerd deugdzamer dan deugdzaam te zijn. Ik ben ook student geweest, ik kwam ook wel eens laat thuis. Maar dat neemt niet weg dat het besef van de waarde van de deugden nooit naar de achtergrond is verdwenen.”

Via de klassieken als Plato kwam u terecht bij de Bijbelse visie op goed en kwaad. Uiteindelijk kwam u tot aanvaarding van het christelijk geloof. Hoe is dat gegaan?
„Hoe moet ik dat uitleggen? Het is niet mijn werk, maar Gods werk geweest. Als ik terugblik, valt mijzelf een aantal stadia op. Een jaar van mijn leven heb ik gewijd aan de studie van de deugdenleer in de tijd van Homerus tot Plato. Aan het eind van de rit kwam ik voor een aantal fundamentele vragen te staan. Je kunt de deugden wel funderen in de menselijke natuur, maar is dat wel terecht? Als mensen de deugden zelf niet hebben bedacht, waar komen ze dan vandaan? Die vraag plaatste mij voor een grote leegte.

Ik ging op onderzoek uit in het Oude Testament. Ik dacht: Laat ik beginnen bij het begin. In het derde Bijbelboek liep ik helemaal vast. Als je niet weet hoe je de Bijbel moet lezen en interpreteren, dan is het lezen van Leviticus zoiets als zaagsel kauwen. De eindeloze opsommingen van gruwelijkheden, ik heb de Bijbel terzijde gelegd.

Maar de vragen bleven mij bezighouden. Uiteindelijk heb ik me opnieuw verdiept in het Oude Testament. Ik herinner me dat de wet op mij buitengewoon rigoureus en veeleisend overkwam. Te veeleisend, vond ik, maar hij intrigeerde mij enorm. Ik ontdekte wezenlijke overeenkomsten met het denken van de Grieken en de Romeinen.”

„Gaandeweg kwam ik tot het besef: óf het is waar dat God ons Zijn wetten gaf óf Hij gaf ze niet. In het laatste geval zijn wij mensen, om met de filosoof Nietzsche te spreken, veroordeeld tot een leven boven de afgrond en we moeten vooral niet naar beneden kijken, om te voorkomen dat we bang worden om te vallen. De overtuiging groeide dat het eerste waar is.”

In die periode bent u ook voor het eerst naar de kerk gegaan. Een moeilijke stap?
„Ik ging met mijn vrouw naar de pizzeria, in Londen. Aan het eind van de avond besloten we dat we naar de kerk zouden gaan. Ik was er een keer eerder geweest: tijdens de begrafenisdienst van mijn moeder. Ik werd er in mijn vooroordeel bevestigd dat de kerk vol zit met linkse babbelaars en zweefhoofden.

In Londen zijn we op zoek gegaan naar een geschikte kerk. De Rooms-Katholieke Kerk stootte me erg af. Al dat gewierook is niks voor mij. De baptistische gemeente vond ik te vrolijk: de mensen liepen te dansen in de gang. We kwamen terecht bij een evangelisch ingestelde gemeente van de Anglicaanse Kerk. Ik kreeg er een Alpha-cursus aangeboden, ik kon er met al mijn vragen terecht.”

Tegenwoordig bent u lid van een vrije evangelische gemeente in Nottingham. Hoe zou u die willen typeren?
„Het is een kleine gemeente met zo’n 200 leden, orthodox van inslag, al weet ik niet of ik het eens ben met haar visie op de volwassenendoop. Is het van doorslaggevend belang als volwassene te zijn gedoopt? Volgens mij gaat het om de vraag of ik in de persoon van Jezus Christus geloof en wat Hij voor mij betekent.”

Welk antwoord geeft u zelf op die vragen?
„Ik geloof dat Hij heeft geleefd zoals Hij heeft geleefd, dat Hij is gestorven zoals Hij is gestorven en dat Hij, het meest wonderbaarlijke, uit de dood is opgestaan. Nooit zal ik vergeten dat ik op een avond thuiskwam en mijn vrouw na de maaltijd voorlas uit het evangelie van Johannes. Toen ik hoorde van de ontmoeting tussen Jezus en Zijn volgelingen bij de Zee van Tiberias wist ik het zeker: het verhaal dat Jezus de Christus is, is waar. Het is prachtig en gruwelijk tegelijk.”

Wat bedoelt u met dat laatste?
„De consequenties zijn verstrekkend. Je hele leven moet op de mestvaalt. In zekere zin kun je als mens bijna niet leven met het besef dat de wet van God afkomstig is, dat die nog niet een punt of een komma aan betekenis heeft ingeboet en dat al mijn daden en gedachten volkomen zichtbaar zijn voor God. Dat zou een verpletterend gewicht hebben als ik niet tegelijk de gelukkige wetenschap zou hebben dat de persoon van Jezus Christus er is.”

U schreef onlangs in de neoconservatieve Weekly Standerd over de toekomst van de kerk. Hoe moet zij volgens u omgaan met de kloof met de wereld?
„De kerk moet in elk geval niet aan de kant van de wereld gaan staan en doen zoals het kabinet nu doet: wel praten over waarden en normen, maar niet over de Tien Geboden, want stel je voor dat mensen die te moeilijk vinden. Nee, de kerk moet de hoge eisen van het Woord blijven stellen. Verplaats je in de persoon van de bekeerling. Waarom zou hij zich van de wereld moeten afkeren als de boodschap daar precies dezelfde is als die in de kerk?

De kerken moeten zich niet ongemakkelijk voelen als anderen hun wijzen op onmogelijke principes. Zoals de EO en de ChristenUnie omgaan met homoseksualiteit, dat vind ik zorgelijk. Er verandert iets in hun houding. Wat? Het is de bereidheid om te schipperen. If you do’nt like my principles, I’ve others. Het komt neer op: God is okee, jij bent okee, geloof maar wat je wilt. Zo komt er niemand tot bekering.”

Houdt de leegloop van de kerk in de afgelopen decennia verband met de presentatie van de boodschap?
„Natuurlijk kunnen de kerken zich afvragen of zij goed genoeg zijn geweest in het uitdragen van de waarheid. Maar het criterium is niet of de kerkbanken vol zitten of niet. Het is leuk dat de EO de A-status heeft, maar als dat ertoe leidt dat de omroep voor tien uur ’s avonds niets van het geloof laat zien en na tien uur een klein beetje, dan denk ik: Daar besta je toch niet voor?

Een van de belangrijkste functies van de kerk is misschien wel het levend houden van de waarheid. De geschiedenis van het volk Israël laat zien dat mensen met die waarheid in een gespannen verhouding leven: ze willen en kunnen het niet, en toch zijn ze ertoe veroordeeld.”

U bent lid van de VVD. Nooit overwogen voor de partij te bedanken?
„Nooit.”

Afgelopen maand stemde de partij in met adoptie van kinderen door homo’s.
„Het feit dat de partij nu standpunten inneemt die de mijne niet zijn, wil niet zeggen dat ik het in de toekomst niet zal meemaken dat haar opvattingen meer in mijn richting zullen buigen.”

Maar bij zulke besluiten knapt er toch iets vanbinnen?
„Ik ben in de VVD geboren, ik zal er m’n leven ook in eindigen. Het is zoals het is. Ik heb mij verzet tegen allerlei wetten op het gebied van homohuwelijk, euthanasie en abortus, zowel principieel als praktisch. Misschien ben ik te pragmatisch. Zeker, het homohuwelijk is in strijd met 3000 jaar menselijke traditie. Maar ik vind het als niets in vergelijking met de abortuswetgeving. Op dat gebied zou ik veel liever een restrictief beleid voeren.”

Dan moet u toch echt bij de ChristenUnie zijn.
„Stelt u zich voor dat die partij het voor het zeggen zou krijgen met haar sociaaleconomische beleid. De schade die dan wordt aangericht, zou overweldigend groot zijn, zó groot dat ik zou emigreren. Ik leef al in het buitenland, maar dan zou ik ook in geestelijk opzicht het land verlaten.”

U kunt ook bij de SGP aankloppen.
„Ik denk dat ik niet welkom ben. Ik onderteken de Formulieren van Enigheid niet.”

U bent drie jaar lang naaste medewerker van VVD-coryfee en oud-Eurocommissaris Frits Bolkestein geweest. Wat heeft u van hem geleerd?
„Organiseren. Dat kan hij als de beste. Organiseren is belangrijk om je doelen te realiseren.”

Was hij niet erg elitair?
„Hij was elitair, maar het was niet zo dat je op handen en knieën zijn kantoor binnen moest. Integendeel, hij was prettig in de omgang.

In het debat was hij voor niets en niemand bang. Dat vind ik navolgenswaardig. Als je werkelijk in iets gelooft, moet je ervoor gaan, ook al krijg je allerlei zaken naar je hoofd geslingerd.”

Uzelf wordt het verwijt gemaakt al te rechts te zijn. Columnist J. A. A. van Doorn noemde u extreem rechts.
„Ben ik zó rechts? Nou nee, dat valt wel mee. Ik ben pro immigratie bijvoorbeeld, en ik ben voor het recht van moslims om de Koran te bezitten en te lezen.”

Wat zit u, ziende op de ontwikkelingen in de samenleving, het meeste dwars?
„Niet de immigratie of de integratie. Immigratie is een feit, integratie een probleem van alle tijden. Het probleem dat zich nu in volle omvang begint te openbaren, zowel in de allochtone in als de autochtone gemeenschap, is de groei van een soort sociaal-culturele onderklasse: mensen die een schrijnend gebrek aan moreel kapitaal hebben. Daarom is het zo teleurstellend dat het CDA voor wat betreft de waarden en normen blijft hangen in vage kretologie.”

„Het probleem is het gevolg van het wegvallen en verwaarlozen van instituties als kerk, gezin en verenigingsleven. Mensen groeien op zonder enig besef van betekenis van morele waarden. Ze zeulen wat rond op straat, ze slaan iemand in elkaar.”

We hebben een CU-minister voor Jeugd en Gezin.
„Maar als ik zie welke voorstellen hij produceert - ik word er niet vrolijk van. Het is wat geneuzel over coördinatie van dit en coördinatie van dat. Een politicus heeft ook de taak de problemen hard te benoemen. Daarin faalt Rouvoet. Misschien had hij beter het platform van de Tweede Kamer kunnen gebruiken om te pleiten voor het belang van het huwelijk en uit te leggen wat een gezin is. Want vandaag de dag is een gezin alles en niets.”

Ah, toch een pleidooi voor getuigenis?
„Nee, getuigenis is ook pragmatisch, als je daardoor problemen op de agenda kunt zetten.”

Nog even over uw voormalige collega-directeur Bart Jan Spruyt van de conservatieve Edmund Burke Stichting. Is het nog goed gekomen tussen u en hem?
„Ik spreek hem niet meer, maar het is niet zo dat ik hem nog verwijten maak. Ik lig niet meer wakker van wat er is gebeurd. Het heeft me gebracht tot de carrière die ik nu heb.

De beweging van het conservatisme is niet ter ziele. Sommige mensen beweren dat, maar het is onzin. Ze is op allerlei manieren en met allerlei gezichten aanwezig. In tijdschriften, in columns. En dat is maar goed ook. Want het debat gaat door.”

Levensloop Joshua Livestro
Joshua Livestro werd in 1970 geboren in een gezin met vijf kinderen. Hij groeide op in Amersfoort. Na het gymnasium studeerde hij politieke wetenschappen aan de Universteit Leiden en de universiteit van Cambridge.

Livestro werkte enkele jaren in Londen op het hoofdkantoor van de Conservatieve Partij. Van 1999 tot 2002 was hij naaste medewerker van Eurocommissaris Frits Bolkestein. Van 2002 tot 2003 vormde hij samen met dr. Bart Jan Spruyt de directie van de conservatieve Edmund Burke Stichting. In 2003 gingen de twee na een conflict uiteen.

Tegenwoordig is Livestro essayist en columnist. Hij is auteur van onder andere ”Rechts spraak” (2004) en ”De adem van grootheid, Nederland in de jaren vijftig” (2006).

Livestro is getrouwd met een Britse advocate en vader van twee kinderen.