Op stage in een weeshuis: „Als ik eerlijk ben, deed ik het vooral voor mezelf”

beeld iStock
3

Kinderen helpen in buitenlandse weeshuizen – dat lijkt een goed idee, maar klopt dat wel? Jaarlijks reizen zo’n 8000 Nederlanders af als ‘weeshuistoerist’. „De kinderen krabden zichzelf en sloegen elkaar om onze aandacht te trekken.”

Het lijkt zo mooi en nobel: als vrijwilliger of stagiair(e) de handen uit de mouwen steken in een weeshuis. Toch kun je er beter niet aan beginnen, vindt het Better Care Network Nederland. Dat is een samenwerkingsverband van kinderrechtenorganisaties, waaronder Unicef Nederland, Defence for Children, ICCO, Kerk in Actie en Wilde Ganzen. Volgens de kinderhulporganisaties heeft stage lopen in weeshuizen nadelige gevolgen voor de kinderen.

Kinderen in weeshuizen lopen een groot risico om hechtingsproblemen te ontwikkelen, doordat ze te maken krijgen met wisselende opvoeders, meldde het Nederlands Dagblad vorige week. Het kind hecht zich aan de vrijwilliger, die na verloop van tijd weer vertrekt uit zijn of haar leven. Bovendien zijn veel kinderen helemaal geen wees. Ze hebben vaak nog één of meer ouders of familieleden. Weeshuizen verdienen geld via bemiddelingsbureaus voor vrijwilligers en stagiairs. Dus worden kinderen, vaak onder valse voorwendselen, naar weeshuizen gelokt, zegt het Better Care Network op zijn website. „Als vrijwilliger of stagiair houd je deze commercie in stand, hoe goed je bedoelingen ook zijn.”

Stop weeshuistoerisme

Daarom startte donderdag het samenwerkingsverband de campagne ”Stop weeshuistoerisme”. Eerdere campagnes richtten zich met name op de bemiddelingsbureaus. Het Better Care Netwerk wilde die bureaus bewegen om te stoppen met het aanbieden van vrijwilligerswerk in weeshuizen. Maar nu is de campagne voor het eerst gericht op de vrijwilligers zelf. „Zij moeten uiteindelijk voor duurzaam vrijwilligerswerk kiezen.”

Lindy Flikweert (21) en Hanneke Reijersen van Buuren (26) hielpen ooit zelf in een weeshuis en blikken terug op hun reiservaring.

Lindy Flikweert. beeld ND

„We hielden professionele afstand”

„Voor mijn stage op de pabo zou ik samen met een studiegenoot naar een school op Sint Maarten gaan. Door de orkaan Irma ging dat niet door. Mijn school, de Christelijke Hogeschool Ede, had contacten met Rotary Nederland, dat een weeshuis op het Indonesische eiland Java steunt. Dat leek ons een gaaf alternatief.

We gaven les aan de kleintjes die nog niet naar school gingen, en Engels aan de oudere kinderen. Ook coachten we de lokale leerkrachten op onderwijsgebied.

Hoewel ik wist dat ik in een weeshuis armoede kon verwachten, vond ik het toch best schokkend. Alles was oud en vies. De kinderen liepen rond in versleten kleren.

Je bent al gauw geneigd om hen op schoot te nemen en te knuffelen, maar daarin hielden we elkaar scherp. We wilden professionele afstand houden. Daar letten ze vanuit de Rotary ook strikt op.

Ook de vaste Indonesische leerkracht hield dit in de gaten. Anders zat zij na drie maanden met allemaal kindjes die steeds om miss Lindy vroegen. Ik was blij dat dat in dit weeshuis goed geregeld was. Toch bleef het afscheid lastig. Op een Nederlandse school is dat natuurlijk ook zo na een stage, maar hier wist ik dat we kinderen zonder ouders achterlieten.

Van tevoren vroegen we ons af of het wel slim was om voor drie maanden te gaan. We hadden er onze vraagtekens bij, maar pas als je daar bent, zie je hoe het echt is.

Ik zou het niet zo snel weer doen. Ik was er te kort om echt iets te kunnen veranderen, en lang genoeg voor de kinderen om zich aan mij te hechten.

Het liefst waren we langer gebleven; dat was beter geweest. Het opleiden van lokaal personeel zou nog veel beter zijn. Maar daar moet het weeshuis voor openstaan.”

Hanneke Reijersen van Buuren. beeld ND

„Voor kinderen is het niet opbouwend”

„Na mijn middelbare school wilde ik niet op feestvakantie, maar iets betekenen voor een ander. Mijn moeder wees mij op een werkreis van een christelijke organisatie. Zoiets leek me heel interessant. We gingen met een groep van zo’n vijftien vrijwilligers naar een weeshuis van een Nederlands echtpaar.

Toen ik er was, waren er meer dan honderd kinderen. Sommige van hen waren wees, anderen waren te vondeling gelegd in vuilnisbakken of in de natuur, omdat hun ouders niet voor hen konden zorgen. Wij deden activiteiten met hen, hielpen met huishoudelijke taken en met het metselen van een huis op het terrein.

Ik kijk positief terug op deze ervaring, met name op wat het voor mijzelf heeft betekend. Wel vraag ik me af hoe gezond het voor de kinderen was. Ze zijn al zwaar beschadigd en zien steeds weer nieuwe mensen. Dat is natuurlijk een raar concept. Wij waren nog niet weg of er stond alweer een groep Amerikaanse vrijwilligers klaar. De kinderen schreeuwden letterlijk om onze aandacht. Sommigen vertoonden ook vreemd gedrag; ze krabden zichzelf en sloegen elkaar om aandacht te trekken, een teken van gebrek aan hechting.

Als ik eerlijk ben, deed ik het vooral voor mezelf. Het avontuur lonkte. Als ik een verschil had willen maken, had ik het geld voor die reis ook kunnen doneren. Ik vroeg daarom bewust niet of mensen mijn reis wilden sponsoren. Veel westerlingen gaat het meer om hun eigen goede gevoel dan om het helpen, denk ik. En dan selfies met kindjes plaatsen op Facebook.

Ik denk niet dat je in drie weken tijd iets wezenlijks kunt bijdragen. Hoe schadelijk het is voor de kinderen, weet ik niet, maar het lijkt me in ieder geval niet opbouwend. Ik zou het anderen niet zo snel meer aanraden.”

„Leid enthousiasme in goede banen”

Het kan niet de bedoeling zijn om jongeren die graag de handen uit de mouwen steken in een buitenlands weeshuis af te schrikken met de campagne ”Stop weeshuistoerisme”. Dat zegt hoogleraar gezinspedagogiek Rien van IJzendoorn, werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Cambridge University.

„Het is wel goed om dit in andere banen te leiden. Ik kan me goed voorstellen dat jongeren denken: die extra aandacht voor zulke kinderen, dat is toch juist goed? Maar het effect hiervan is dat de kinderen zich aan deze jongeren gaan binden, terwijl ze vaak na drie maanden weer vertrekken. We hebben in ons onderzoek in weeshuizen in Oekraïne, Griekenland en India gezien dat kinderen van vier jaar soms al veertig verschillende opvoeders hebben gehad in hun leven. Terwijl juist continuïteit en stabiliteit in de opvoeding zo ontzettend belangrijk zijn. De snel wisselende contacten hebben ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van weeshuiskinderen: die loopt zowel fysiek, mentaal als cognitief vaak dramatisch achter. Dat ligt niet aan de voeding of medische verzorging, want die is doorgaans gewoon goed in orde. Het is juist de gefragmenteerde opvoeding die daarvan de oorzaak is.

Het zou verstandig zijn wanneer Nederlandse jongeren afstand houden tot de kinderen zelf, hoe lastig dat ook is en ondankbaar het ook klinkt. Maar waarschijnlijk help je de kinderen beter door bijvoorbeeld medewerkers van weeshuizen iets te leren vanuit jouw expertise, of uitsluitend in de keuken of schoonmaakdienst te werken. Zo heb je dus een meer faciliterende rol. Ook een bijdrage aan vervangende gezinsopvoeding voor deze kinderen is broodnodig. Ik weet zeker dat enthousiaste jongeren genoeg fantasie hebben om dit op een goede manier in te vullen.”