Zo slecht hebben wij het niet met onszelf getroffen

In onze maatschappij is God afgeschaft en ervaren christenen geloven als een optie. Foto: Rotterdam, met op de voorgrond de Laurenskerk. beeld iStock

Is er in onze postchristelijke en postkerkelijke samenleving toekomst voor christenen? Of is het een gegeven dat het christelijk geloof hier zal verdwijnen om elders, zoals in China, te bloeien? Omdat wij maar mensen zijn, is hierover weinig met zekerheid te zeggen. Het komt erop aan te volharden op de plek die God je geeft.

Juist op dat punt zeggen de jubilerende Dordtse Leerregels (1618-1619) iets bijzonders. Die leerregels zijn bekend (en berucht) geworden vanwege de leer van Gods uitverkiezing. Maar het laatste en meest pastorale hoofdstuk van die leerregels gaat over de volharding van Gods kinderen. Hoe houd je het vol om te geloven? ‘Dordrecht 1618-1619’ geeft een vrij ontnuchterend antwoord: je houdt het niet vol.

Cadeau

In lijn met de leer dat Gods genade vrij is (God kiest uit) zeggen de Dordtse Leerregels dat het de Geest is die je laat volhouden. De trouw van God (2 Korinthe 1:18) staat centraal.

Wie beter kijkt, ziet dat er achter deze belijdenis een wereld schuilgaat. Augustinus (354-430) schreef al een boek dat ”Het geschenk van volharding” heet. Volhouden is een goddelijk cadeau.

Ook de reformator Calvijn spreekt in zijn ”Institutie” over de volharding. Hij waarschuwt in dat verband voor een dubbele dwaling: (1) volharding is de beloning voor het feit dat de mens Gods genade heeft aangenomen en (2) Gods genade werkt niet als enige in ons, maar werkt slechts met ons mee. In beide gevallen buigt een mens als het ware op zichzelf terug en staat Gods eer op het spel.

In dit verband valt te denken aan de beroemde gelijkenis van de Heer Jezus over de Farizeër en de tollenaar (Lukas 18:9-14). De Farizeër heeft het nogal met zichzelf getroffen. De tollenaar kan slechts boete doen. Jezus zegt dat de Farizeër met lege handen blijft staan, terwijl de tollenaar gerechtvaardigd naar huis gaat.

De reformator Luther zegt dat het probleem van de Farizeër niet is dat hij geweldige dingen doet. Het is veelzeggend dat Luther dit opmerkt. Geloof zonder werken is immers dood (Jakobus 2:26). Ook de Dordtse Leerregels spreken over het aan God toegewijde leven. Het probleem van de Farizeër is volgens Luther dat hij zijn hart niet kent.

Juist op dit punt is het zaak naar de Dordtse Leerregels te luisteren. Die kennen het hart wél. De allereerste zin luidt dat alle mensen in Adam gezondigd hebben. En als het over de volharding gaat, wordt beleden dat Gods door de Geest wedergeboren kinderen zondig zijn, al ben je geen slaaf van de zonde. Logisch dat vervolgens gezegd wordt dat de Geest je laat volhouden te geloven. Gelukkig ligt het niet aan jezelf.

Optie

Het geeft te denken dat heel wat hedendaagse Nederlandse christenen niets van de Dordtse Leerregels willen weten. Dat ligt, denk ik, niet aan het feit dat er nogal wat af te dingen is op hoe het toeging op de synode van Dordrecht (1618-1619) en dat men toen (theologisch) langs elkaar heen gesproken heeft. En ja, het is belangrijk om bij het spreken over Gods uitverkiezing ver bij systeemdenken weg te blijven. Dat kan alleen als de uitverkiezing een plek krijgt in het christelijke spreken over de Geest.

Te denken valt aan Calvijn, die de uitverkiezing behandelt nadat hij heeft gesproken over onze verlosser Christus. Calvijn zegt dat Christus de spiegel is waarin we onze verkiezing moeten en ook, zonder het gevaar bedrogen te worden, mogen zien.

Maar de weerstand ten opzichte van de Dordtse Leerregels gaat niet over deze dingen. Die laat iets anders zien. Christenen die niets met de Dordtse Leerregels te maken willen hebben, zijn te veel beïnvloed door de tijdgeest waarin zij leven. In onze maatschappij is God afgeschaft en ervaren christenen geloven als een optie. Een van de vele opties. Vergelijkbaar met de talloze mogelijkheden die je hebt als je een telefoon of auto koopt. Het wonder dat God in Christus uitkiest en geloof gééft, sneeuwt onder. Over volharden in het geloof denk je niet eens na.

Leven uit genade

Maakbaarheidsidealen zorgen ervoor dat christenen het extra moeilijk vinden om over zonde te spreken. In de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) blijkt dat bijvoorbeeld uit een discussie over de eerste doopvragen, die ons zondig-zijn aan de orde stellen.

Verder kunnen we denken aan de Geest en zijn werk. Christenen spreken in dat verband over het leveren van positieve bijdragen, zoals een aantrekkelijke(r) kerk, een betere maatschappij en onze inzet met het oog op de komst van Gods koninkrijk. ”Iedereen kan het verschil maken” is een uitdrukking die je net zo goed binnen als buiten de kerk hoort. De nadruk ligt, haast ongemerkt, op onszelf.

Christenen ontsnappen niet op eigen kracht aan de ik-gerichte tijd waarin ze leven. Net als de Farizeër uit Jezus’ gelijkenis hebben christenen het met zichzelf zo slecht nog niet getroffen.

Het is bijzonder dat een remonstrantse theoloog, E. P. Meijering, erop wijst dat in ons allen de hoogmoed leeft dat we best op eigen krachten kunnen doen wat God van ons vraagt, als we maar willen. Meijering zegt dat we een leven lang nodig hebben om te leren leven uit Gods onverdiende genade.

Meijering slaat de spijker op z’n kop. Iedere tijd moet er opnieuw doorheen. En ieder mens. Beter dan de Dordtse Leerregels dicht te laten, is het om je daardoor met beide voeten op Gods grond te laten zetten. Misschien geeft de Heer deze postchristelijke en postkerkelijke tijd daarom wel: om ons te leren wat zijn genade betekent.

Ds. J. M. Haak is predikant van de gereformeerde kerk vrijgemaakt (Kandelaarkerk) in Dordrecht.