Vroege Kerk leerde al verzoening door voldoening

In zijn commentaar op de Hebreeënbrief vertolkt Chrysostomus heel duidelijk zijn gedachten over het plaatsvervangende werk van Christus.  beeld Wikimedia Commons

Christus is niet alleen Koning, beleed de Vroege Kerk, maar ook Priester. Als Priester verzoende Hij de zonden van de gelovigen.

Met regelmaat doet de mening opgeld dat het Christus-Victormodel veruit het belangrijkste verklaringsmodel in de Vroege Kerk is voor Jezus’ lijden en sterven. Een recent voorbeeld hiervan is ”Het vergeten evangelie” van Reinier Sonneveld. Bij het Victormodel is Christus gekomen om de kwade machten te overwinnen.

Een dergelijke benadering doet tekort aan de opvatting die de kerkvaders hadden over de betekenis van de Christus’ sterven en opstanding. De kerkvaders beleden ook al de verzoening door de voldoening van Christus’ bloed. In het vroege christendom is Christus in al Zijn heerlijkheid zichtbaar, met het accent op Zijn priesterschap en koningschap. Het koningschap van Christus drukt Zijn overwinning op de kwade machten uit. Zijn priesterschap gaat over Zijn werk waarmee Hij de gelovige door voldoening verzoent met God.

Onder anderen Johannes Chrysostomus (345-407), aartsbisschop van Constantinopel, gaf een prachtige uitleg van Christus als de plaatsvervangende Hogepriester. De kerkvader Augustinus spreekt bij Christus vaak gelijktijdig over Christus’ priesterambt en Zijn ambt als Koning, dus verbonden aan elkaar. In deze bijdrage belicht ik enkele aspecten van Chrysostomus’ uitleg op de Brief aan de Hebreeën. Vervolgens sta ik stil bij Augustinus’ visie op Christus’ ambten.

Eeuwige verlossing

In zijn commentaar op de Hebreeënbrief vertolkt Chrysostomus heel duidelijk zijn gedachten over het plaatsvervangende werk van Christus. Hij geeft bij de woorden „een eeuwige verlossing verworven hebbend” de volgende uitleg: „Als het gaat over ‘verworven hebbend’, dan zegt dat zeker iets over de omstandigheden die moeilijk waren en tegen de verwachting in gingen, hoe Hij (namelijk Christus als plaatsvervangende Hogepriester, M. A. W.) door binnen te gaan door één ingang een eeuwige verlossing verworven heeft.” Hier duidt Chrysostomus heel duidelijk op Christus’ plaatsvervangende lijden voor de gevallen mens. Hij werd mens en heeft een eeuwige verlossing verworven, tegen alle moeilijkheden en verwachtingen in.

Vervolgens gaat Chrysostomus in op het verschil tussen de heiliging van het bloed van de stieren en die van het bloed van Christus. Hij zegt bij de uitleg van vers 13: „De Schrift laat zien hoe een groot verschil er is tussen beide heiligingen. De laatste is hoog verheven, de eerste is heel eenvoudig. En terecht spreekt ze er zo over. Immers, in de ene situatie gaat het over het bloed van stieren, in het andere geval gaat het om het bloed van Christus.” Chrysostomus ziet tussen deze beide vormen van heiliging een levensgroot verschil.

Verbond

De Hebreeënbrief noemt Christus vervolgens de „Middelaar van het nieuwe testament” (vers 15). Chrysostomus geeft dan het volgende commentaar: „Wat moeten we ons voorstellen bij een middelaar? Een middelaar is niet hetzelfde als de zaak waarvoor hij bemiddelt; de zaak is iets anders dan de middelaar. Hij is als iemand die bij een huwelijk bemiddelt. Hij trouwt niet, maar doet moeite voor iemand die gaat trouwen. Zo is de Zoon hier Middelaar tussen de Vader en ons. De Vader wilde ons geen erfenis nalaten, maar Hij was vertoornd op ons en Hij was ons vijandig gezind als mensen die zich van Hem hadden vervreemd. Christus werd Middelaar tussen Hem en ons en overtuigde de Vader. En zie hoe Hij Middelaar werd! Hij ging met de Vader in gesprek, de woorden van de Vader bracht Hij aan ons over, de Vader stelde onze dood voor. Wij hadden Hem tegen het hoofd gestoten, wij moesten sterven, maar de Middelaar is voor ons gestorven en heeft ons het verbond waardig gemaakt.” Christus heeft dus plaatsvervangend voor ons geleden.

In Hebreeën 10:19-24 vinden we een vervolg op Hebreeën 9:12-15. Chrysostomus gaat in het gedeelte dat we hier weergeven in op de tekst: „Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben.” Hij zegt daarover: „Waarom vrijmoedigheid? Vanwege de vergeving. Zoals zonden, zegt de Schrift, schaamte ten gevolge hebben en schaamte bezorgen, zo heeft het feit dat alle zonden aan ons vergeven zijn vrijmoedigheid tot gevolg en werkt die ook uit. En niet alleen dit, maar ook dat wij mede-erfgenamen zijn en van zo’n grote liefde mogen genieten.” Het is duidelijk waardoor de gelovigen volgens Chrysostomus vrijmoedig kunnen zijn. Hun zonden zijn vergeven door het bloed van Jezus, de grote Hogepriester. Daardoor hebben zij vrijmoedigheid en geen schaamte. Ze mogen in het heiligdom, de hemel, ingaan.

Pelagianen

Ook Augustinus, de bekende bisschop van Hippo (354-430), spreekt in zijn werken regelmatig over Christus als Priester en Koning. Meestal wordt Zijn koningschap daarbij voorop gezet. We lezen bij hem vaak de combinatie: ”Christus rex et sacerdos”, Christus, Koning en Priester. Om de vervulling van Zijn ambt als Koning en Priester nog sterker te benadrukken, gebruikt Augustinus ook wel het bijvoeglijk naamwoord ”waar”. Zo zegt hij over Christus ook: „qui verus rex et verus sacerdos est”, „Die waarachtig Koning en waarachtig Priester is.” Hij is onze Koning, aan wie we ons als gelovigen gewillig onderwerpen. Maar daarbij speelt Christus’ ambt als Priester dus eveneens een belangrijke rol. Augustinus verbindt dit ambt steeds aan Zijn Koningschap.

De verzoening door voldoening staat voor Augustinus als zodanig niet ter discussie. In zijn brieven tegen de pelagianen zegt hij onder meer dat de verzoening door Christus voor allen noodzakelijk is. In zijn uitleg op de Romeinenbrief noemt Augustinus in één adem het tenietdoen van de zonden, die ons namelijk van God scheiden, en de verzoening door Christus, waardoor wij aan Hem verbonden worden. Op nog een andere plaats (”Contra secundam Iuliani responsionem imperfectum opus, liber II”) stelt Augustinus terecht dat door één mens onenigheid en vijandschap ontstaan is, maar dat door Christus verzoening tot stand gebracht is.

De auteur is bijzonder hoogleraar Bijbeluitleg Vroege Kerk, verbonden aan de TUA in Apeldoorn. Op D.v. 20 juni houdt hij zijn inaugurele rede, met ”Niemand heeft ooit God gezien” als thema.