Voer discussie evolutietheorie op theologisch en niet op natuurwetenschappelijk niveau

Schepping en evolutie
Volgens mij spelen we sciëntisten en evolutionisten enorm in de kaart als christenen vraagtekens gaan plaatsen bij de evolutietheorie, bij de biologische basis. beeld iStock

Door te blijven hangen in de natuurwetenschappelijke discussie over evolutietheorie, missen sommige gelovigen wat voor het oprapen ligt: een goed theologisch gesprek.

Sinds de presentatie van het boek ”En God zag dat het goed was” is de discussie over evolutietheorie en christelijk geloof helemaal terug. In het debat worden waardevolle dingen gezegd, maar er is ook veel onduidelijkheid. Als een van de redacteuren van het boek wil ik graag een stapje terug doen om te bezien wat in dit gesprek gebeurt en waar nog terrein te winnen is.

Vrees of vrijheid

Het eerste wat me opvalt, is het frequente gebruik van bepaalde uitdrukkingen, zoals dat men „zich zorgen maakt”, dat men „verontrust is”, of dat er van een „hellend vlak” sprake is. Angst past naar mijn overtuiging niet zo goed bij het leven dat wij als christenen mogen leven, een leven van vrijheid en hoop. Natuurlijk, er zijn reële risico’s in deze wereld, maar een christen hoeft niet in vrees te leven. Een christen kan alle dingen beproeven en het goede behouden. En dat kan al helemaal als christenen dat samen doen, zodat de kans op individuele zelfoverschatting afneemt.

Christenen kunnen dus in alle vrijmoedigheid theorieën uit de wetenschap tot zich nemen en onderzoeken, zoals de evolutietheorie, oerknalkosmologie en neurowetenschap. Wij geloven in een God die zelf de waarheid is, dus de waarheid hoeven wij niet te schuwen. Niet dat de wetenschap per definitie alleen maar waarheden oplevert; de geschiedenis toont wel aan dat dit lang niet altijd zo is. Maar we mogen verkennen wat wetenschappelijke theorieën precies zeggen en wat de bewijsvoering voor en tegen is.

Wantrouwen of getuigenis

Zo is de kerk in het algemeen ook omgegaan met wetenschap. De universiteit is nota bene voortgekomen uit het middeleeuwse kloosterwezen. Belangrijke elementen van de christelijke geloofsleer maakten het hele project van de wetenschap mogelijk. Ik denk dan aan zaken als: geloof dat God goed is en de wereld ordelijk geschapen heeft, dat de wereld niet sacraal is maar geschapen werkelijkheid, en dat de mens naar Gods beeld gemaakt is, zodat wij de wereld kunnen onderzoeken en begrijpen. Wetenschap is een prachtige onderneming die onze inzet en ons respect verdient, omdat wij Gods naam erdoor groot kunnen maken.

Dit geldt ook voor de biologie en de evolutietheorie. Bij sommigen die over christelijk geloof en evolutie schrijven, krijg ik een complottheoriegevoel. Alsof al die duizenden biologen wereldwijd, onder wie vele christenen, collectief verblind zijn of niets liever willen dan geloof in God kapotmaken. Dit strookt niet met de realiteit; ga maar eens praten met die mensen in het lab en de vele christelijke biologen die de evolutietheorie aanvaarden. Je kunt het niet eens zijn met de evolutietheorie, maar wantrouwen en scepsis zijn hier niet op hun plaats. We mogen hun getuigenis serieus nemen. En dat laat ruimte voor een nog veel belangrijker getuigenis, namelijk Gods openbaring in de Bijbel en in Jezus Christus. Dit betekent wel dat theologie en natuurwetenschap met elkaar in gesprek dienen te gaan en dat is precies wat in dit boek gebeurt.

We dienen dus het getuigenis van experts serieus te nemen en de grenzen van onze eigen kennis te erkennen. Nog te vaak zie ik in dit gesprek theologen of filosofen die precies menen te weten wat er natuurwetenschappelijk schort aan de evolutietheorie, of juist biologen die met een simplistische theologie werken, in de overtuiging dat alleen die christelijk en echt orthodox is. Omdat de onderwerpen in dit gesprek ons aan het hart gaan, is dit een reëel risico. Alleen met intellectuele bescheidenheid en wederzijds vertrouwen komen we verder.

Biologie of theologie

Onlangs stuurde het Logos Instituut alle auteurs van ”En God zag dat het goed was” een boek waarin een Amerikaanse natuurwetenschapper uiteenzet waarom hij niet overtuigd is door de evolutietheorie en de klassieke argumenten voor creationisme nog eens de revue passeren.

Een ludieke actie, maar hiermee gaan zij toch voorbij aan het cruciale punt van het boek. Zevenennegentig procent van de wetenschappers is ervan overtuigd dat de evolutietheorie juist is, hoewel altijd verfijning mogelijk is.

Dat roept de vraag op hoe we als gelovigen hiermee om willen gaan. Een optie is een alternatieve wetenschappelijke verklaring zoeken die voortvloeit uit een lezing van Genesis 1-2 als een letterlijk en historisch verslag. Dit ”wetenschappelijk creationisme” heeft in de afgelopen decennia hoegenaamd geen impact gehad op de ontwikkelingen in de ”reguliere” wetenschap. Daarom wilden we in dit boek de discussie over natuurwetenschap vermijden en hebben we ervoor gekozen vooral theologische vragen te stellen bij de evolutietheorie. Vragen als: Impliceert de evolutietheorie dat er geen historische Adam is geweest? Hoe moeten we Genesis 1-2 lezen? Hoe spreken andere Bijbelteksten over Gods scheppingswerk? Wat betekent de evolutietheorie voor ons spreken over Gods verlossing in Christus?

Door in die natuurwetenschappelijke discussie te blijven hangen, missen sommige gelovigen wat voor het oprapen ligt: een goed theologisch gesprek over de manier waarop wij de Bijbel lezen, over zonde en verlossing, over onze eigen uniciteit in deze wereld. Dit gesprek kunnen wij niet voeren zonder dat we onze theologie en daarmee ook een deel van onszelf inbrengen. Maar juist als we dat durven, zullen we in dit gesprek verder komen.

Sciëntisme of wetenschap

Sciëntisme is het geloof dat alleen de natuurwetenschappen echte, betrouwbare kennis opleveren en dat de natuurwetenschappen uiteindelijk alle vragen kunnen beantwoorden. Het mag duidelijk zijn dat dit iets heel anders is dan (natuur-)wetenschap: het is geen wetenschap, maar een heel specifieke en extreme opvatting over wat wetenschap allemaal kan. We komen sciëntisme ook tegen als het over de evolutietheorie gaat, bijvoorbeeld bij Richard Dawkins. We spreken dan niet langer over de evolutietheorie, maar over evolutionisme. Dat bouwt een wereldbeeld uit de wetenschappelijke theorie en beweert dingen als: het proces is volkomen blind, dit alles kan niet door God geleid zijn, de mens is maar een evolutionair wegwerpproduct. Allemaal zaken die weinig met biologie te maken hebben.

Volgens mij spelen we sciëntisten en evolutionisten enorm in de kaart als christenen vervolgens vraagtekens gaan plaatsen bij de evolutietheorie, bij de biologische basis. We voeren dan de discussie niet op het niveau van wereldbeschouwing, maar van de natuurwetenschap. Het is verstandiger als christenen door het sciëntisme heen prikken en doorvragen op al die levensbeschouwelijke elementen. Volgen die wel uit de evolutietheorie? Waarom zouden we ze aanvaarden? Doen we dat niet, dan heeft de atheïstische evolutionist zijn gesprekspartner precies waar hij hem hebben wil.

Durf en hoop

Laatst nog deed op sociale media een filmpje de ronde waarin Rutger Bregman uitlegt hoe hij het geloof vaarwel zegde, omdat de weergave van de evolutietheorie die hij in zijn christelijke jeugd had meegekregen totaal niet strookte met wat hij op de universiteit ontdekte. Ik lig er wakker van als mensen de kerk de rug toekeren omdat bepaalde vragen daar niet gesteld mogen worden, omdat men niet bereid is zich grondig in de natuurwetenschap te verdiepen, of omdat ongeloofwaardige stereotypen in stand worden gehouden.

We leven in een tijd waarin de kerk een minderheid geworden is. Paradoxaal genoeg creëert dat ook prachtige kansen. Zo’n situatie vraagt om durf en hoop. Ik ben dankbaar dat de auteurs van ”En God zag dat het goed was” moeilijke theologische vragen durfden te stellen, in het geloof dat we hier niet langer omheen kunnen. En het is mijn hoop dat het stellen en beantwoorden van deze vragen tot zegen zal zijn.

De auteur is verbonden aan de Afdeling Filosofie van de Vrije Universiteit Amsterdam.