Verklaring van verbondenheid verdoezelt verschillen niet

Het uitspreken van „verbondenheid” is nog geen uitspreken van eenheid. Foto: in de Grote Kerk in Dordrecht tekenden op 29 mei tientallen protestantse kerken een verklaring van verbondenheid. beeld Dirk Hol

In de weergave van de briefwisseling tussen ds. Dick Westerkamp en mij over de verklaring van verbondenheid die op 29 mei door vele kerken en gemeenschappen werd getekend (RD 13-7), was mijn tweede brief aan hem nog niet meegenomen. Voor een juiste beeldvorming volgt hier die brief, met tussen haakjes een enkele verduidelijking.

Of ik ook weet wat vrijzinnig is? Daarmee eindigt u uw weerwoord op mijn brief aan u. Dat is toch geen vraag?! Ik denk dat ik er meer mee in aanraking geweest ben dan u. In mijn eigen kerk namelijk. Ik meen te mogen zeggen dat niet alleen onderkend te hebben, maar ook te rechter tijd te hebben bestreden. De oude, militante negentiende-eeuwse vrijzinnigheid, met notoire loochening van alle heilsfeiten, is overigens nauwelijks meer te ontwaren. Maar vrijzinnigheid steekt in openlijke of verhulde vormen altijd weer de kop op, ook waar men het niet zou verwachten.

Maar nu ter zake. Ik nodigde u uit de kerken (meervoud) te noemen die u als vrijzinnig typeerde. U voert een citaat op zonder aan te geven om welke kerk het hier gaat. Maar als u dan toch een kerk concreet bij name noemt, dan is het de Protestantse Kerk in Nederland. U zegt het niet expliciet, maar bedoelt u dan dat deze kerk vrijzinnig is? U spreekt over „een aantal christenen”, tot op „uw kansels (van de PKN)”, die „de harde kern van het geloof”, zoals u en ik die belijden, „glashard loochenen”. Maar dat aantal valt toch niet samen met de kerk?

Ik vraag u de grondslag van de Protestantse Kerk nader te bezien. „Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.” En dat alles „in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht”, nader omschreven door oud-christelijke tot en met de gereformeerde belijdenisgeschriften. Daar is toch niets vrijzinnigs aan?

U zult misschien zeggen: maar nu de uitwerking. U herinnert zich misschien dat prof. dr. C. J. den Heyer inderdaad „glashard” de verzoening door voldoening, het hart van het christelijk geloof, loochende. Maar wat geschiedde? Er kwam een niet onduidelijke, ondubbelzinnig belijdende boodschap van de kerk inzake de verzoening, ”Jezus Christus, onze Heer en Verlosser” (2000). Daarmee werden vrijzinnige stemmen weliswaar niet uitgebannen, maar wel expliciet weersproken.

Grondslag

U zegt – en dat waardeer ik – dat er gelukkig „ook veel PKN-gemeenten zijn waar de Schrift trouw bediend wordt”. Maar dat is te weinig. U mag de Protestantse Kerk aanspreken op haar grondslag en op haar spreken. Het treft mij overigens wel dat u het mogelijk acht dat u tot de PKN – liever voluit: de Protestantse Kerk in Nederland – zou blijven behoren als u erin zou zijn opgegroeid. Welnu, daarin stemmen wij dan samen.

U geeft intussen aan dat u verbondenheid had met ‘Rome’. (Ondanks het aanroepen van Maria en de aanbidding van de hostie wordt daar namelijk volgens hem „de harde kern van het geloof” beleden). Inzake de punten die u noemt, val ik u van harte bij. Maar die verbondenheid bevreemdt mij toch ook wel, in zoverre namelijk dat Rome als kerk, vanwege haar ecclesiologie, dunkt me verder van u af staat dan de protestantse kerken die op de Nationale Synode hun verbondenheid tot uitdrukking brachten. Trouwens, hoeveel ”vrijzinnigheid” is er ook niet in de Rooms-Katholieke Kerk?

Zijn er dan in uw optiek twee soorten verbondenheid? Het uitspreken van „verbondenheid” is bovendien nog geen uitspreken van eenheid. Bij de verklaring van verbondenheid op de Nationale Synode is uitdrukkelijk ook van „grote verschillen” gesproken. Daarom denk ik dat u ook best deze verklaring had (zou) kunnen ondertekenen, evenals delegaties en afzonderlijke leden van uw kerk en belendende kerkelijke denominaties (zoals bijvoorbeeld de hoogleraren Peels en Kamphuis, die de verklaring mee hebben opgesteld) dat hebben gedaan.

Rest nog de vraag, die ik eerder stelde, of u zo’n „nationale” synode (zoals ds. G. de Fijter op gang bracht) zou kunnen initiëren voor de versplinterde gereformeerde gezindte, een benaming trouwens die de verschillen verhult (ik nodigde hem namelijk ook uit aan te geven wat gereformeerd is en stelde de vraag hoe hij zelf in dat brede spectrum dan door anderen zou worden geduid).

Intussen: we noemen elkaar in deze briefwisseling broeders. Die aanduiding is vooral gelegen in een kennelijk gelijkgestemde overtuiging inzake de kernen van het christelijk geloof, uitdrukkelijk beleden binnen onze gemeenschappelijke gereformeerde traditie. (Ik zei daarom ook in mijn eerste brief naar meer te verlangen.)

De auteur was voorheen algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk.