Theologenblog: Apologetiek in de 21e eeuw

Theologenblog
„De meeste apologetische werken, waaronder die van Keller (foto) en Lewis, hebben naast een verdedigend ook een lofprijzend gedeelte.” beeld The Gospel Coalition

Begin mei verscheen ”God en ik”, met als ondertitel ”Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel”. Dit boek van Alain Verheij is een geslaagd voorbeeld van een hedendaagse apologie, vindt Wim de Bruin, al mist hij uiteindelijk de godsvraag.

Rond mijn achttiende levensjaar verslond ik de boeken van C. S. Lewis. De scherpzinnige manier waarop hij het christelijk geloof verdedigde, hielp me om mijn pas gevonden geloof een rationeel fundament te geven. De verdediging van het christelijk geloof op intellectueel niveau is voor veel jonge christenen van grote betekenis.

Tegelijk heeft een intellectuele verdediging van het christelijk geloof haar grenzen. Toen ik later met een student bij wijze van catechese het boek ”In alle redelijkheid” van Tim Keller las (Keller is op veel punten aan Lewis schatplichtig), kwamen we vaak tot de conclusie: Het is op het eerste gezicht rationeel solide, maar dit gaat een scepticus niet overtuigen. Het zal hem eerder sterken in de overtuiging dat christenen betweters zijn.

Het rationele argument kan sluitend zijn, maar de keuze tussen geloven en niet-geloven heeft veel meer te maken met je beleefde werkelijkheid. Een gesloten wereldbeeld wordt niet geopend met argumenten, maar eerder met verhalen of persoonlijke ervaringen. Daarom heb ik nooit overwogen dit soort boeken uit te delen aan niet-gelovigen.

De meeste apologetische werken, waaronder die van Keller en Lewis, hebben naast een verdedigend ook een lofprijzend gedeelte. Daarin brengen de auteurs onder woorden hoe mooi het christelijk geloof is. Ze staan daarmee in de traditie van de vroegste apologeten, uit de tweede eeuw na Christus. Zij weerlegden beschuldigingen (bijvoorbeeld dat het christendom staatsgevaarlijk zou zijn) en droegen bewijs aan voor de waarheid van het christelijk geloof. Daarna probeerden zij ook te laten zien dat het christelijk geloof een vervulling was van de verlangens van heidense filosofen.

In zijn onlangs verschenen boek ”God en ik” zet de randkerkelijke theoloog Alain Verheij vooral die laatste stap: laten zien wat de betekenis van christelijk geloven kan zijn voor mensen die niets (meer) met georganiseerde religie te maken (willen) hebben. Ik weet niet of hij zijn boek bewust als een apologie bedoeld heeft, maar mijns inziens is het dat wel degelijk. En dan vooral in de lofprijzende betekenis van het woord.

Voor zijn publiek van weldenkende 21e-eeuwse mensen houdt hij zich niet bezig met vermoeiende rationele exercities over het bestaan van God, maar gebruikt hij vooral de verhalende elementen uit de Bijbel en de traditie om een snaar te raken. Op een soepele manier verbindt hij zijn eigen (nogal bonte) levensreis door verschillende christelijke stromingen met een korte uitleg van de belangrijkste kerkelijke rituelen en christelijke feesten, terwijl hij alles aan elkaar praat met bekende en onbekende Bijbelverhalen.

Telkens geeft hij een levensles waar ook de niet-gelovige wat aan heeft. En dat zonder al te moraliserend te worden. Ondanks een zekere kritische distantie tegenover de kerk is zijn beschrijving van de verschillende stromingen fair en positief getoonzet, maar zonder de zwakke punten ervan te verzwijgen.

Verheij stelt zich voor zijn tijdgenoten op als een gids die vooral veel wil laten zien van wat hem enthousiast maakt. En hoewel ik niet helemaal tot de doelgroep behoor, vind ik het aanstekelijk werken. En ik durf het boek zonder aarzeling door te geven aan een niet-gelovige.

De aanpak van Verheij - structureel de vraag naar God links laten liggen - heeft ook een keerzijde. Als ik het goed zie, is zijn aanpak als volgt. Waar hij het over de Bijbelverhalen heeft, spreekt hij veelvuldig over God. In de beschrijving van zijn eigen leven wordt dat diffuser. Hij uit zijn persoonlijk geloof in uitspraken over muziek die hem raakt en over de christelijke traditie, die hem handvatten geeft om het leven aan te kunnen. Maar vooral in zijn levenslessen voor niet-gelovigen lijkt het erop dat het geloof in God te vangen is in die algemene levenswijsheden.

Daarmee mist Verheij juist datgene wat christenen al tweeduizend jaar ertoe beweegt om te geloven en kerk te zijn. Namelijk de vraag: Wie zijt Gij toch, Heer? Het bestaan van de kerk draait uiteindelijk om de godsvraag.

Dat is inderdaad niet allereerst de strikt rationele godsvraag, maar de vraag die je gaat stellen als de Heer op je pad komt. De vraag die zoekt naar het geheim dat wij aanduiden met dat woord God. Niet om een rationele puzzel op te lossen, maar om de honger van de ziel te stillen.

Het Nieuwe Testament stelt de vraag niet alleen, maar geeft ook antwoord. Geen antwoord waarop men kon komen door logisch nadenken alleen. Door het hele Nieuwe Testament heen hoor ik eerder een toon van verbazing, alsof de auteurs het zelf nauwelijks kunnen geloven: „Gods Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, en we hebben zijn heerlijkheid gezien!”

De glorie van God was zichtbaar aanwezig in Jezus van Nazareth. Dit verhaal spreekt over een nieuwe wereld, die met Gods komst is aangebroken. Dat verhaal kunnen we proberen te vertellen in de taal van algemene levenswijsheden, maar het zal daar altijd weer uit breken. Daarvoor is het te explosief.

De auteur is predikant van de christelijke gereformeerde kerk in Zutphen. Hij schrijft dit blog als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de theologische universiteiten in Apeldoorn en Kampen. Hij is daar als buitenpromovendus bij betrokken.