Syrische vluchtelingen Lesbos hebben onze hulp hard nodig

In het vluchtelingenkamp op Lesbos zitten meer dan 10.000 vluchtelingen. beeld AFP, Sakis Mitrolidis

Van verkrachte weduwen tot getraumatiseerde kinderen: de situatie in het Syrische vluchtelingenkamp wordt steeds schrijnender en de behoefte aan hulp groter.

Ik staar naar het getal op mijn beeldscherm. Dagelijks krijgen we als organisatie te horen hoeveel mensen er zijn aangekomen in vluchtelingenkamp Moria op Lesbos. Elke dag arriveren er honderden nieuwe Syriërs. Het aantal inwoners komt nu al boven 10.000 uit. Een niet te bevatten getal, meer dan 10.000 mensen die in een kamp in Europa leven zonder voldoende basale voorzieningen. Je kunt het bijna geen leven noemen. De bootjes blijven komen. Er zijn momenteel meer vluchtelingen in Griekenland dan op het hoogtepunt van de crisis in 2015/2016, met één groot verschil: nu zitten ze muurvast, toen mochten ze door.

Als Stichting Bootvluchteling werken we met een medisch en een psychologisch team in Griekenland. Nederlandse en internationale vrijwilligers geven hier enkele weken tot soms maanden van hun tijd om deze bootvluchtelingen te helpen. Dagelijks worden zij blootgesteld aan de verhalen van vluchtelingen die verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt.

Pilletje

Vertel mij eens hoe je niet gefrustreerd moet raken als je als arts maar liefst 125 patiënten ziet op één avond, van wie een groot deel tijdens hun vlucht is verkracht. Vrouwen én mannen. Als een jonge vrouw je vertelt dat ze is verkracht door vijf soldaten, voor het oog van haar gezin, waarna ze haar man doodschoten. En dat je die vrouw vervolgens naar haar tent terug moet sturen met niet meer dan een pilletje en een verwijsbriefje voor de psycholoog, die over acht maanden tijd heeft. Honderden psychologen kunnen er aan de slag en het zou niet genoeg zijn.

Ik reis heel Nederland door om te praten met mensen in de hoop dat er hartverwarmende donaties worden toegezegd. Fondsen worden steeds huiveriger om hun naam aan deze kwetsbare doelgroep te verbinden. Het is tenslotte ”politiek beladen” hulp.

Maar heeft die vrouw in onze kliniek daar een boodschap aan? Heeft de arts daar een boodschap aan als hij zich midden in de nacht na zijn shift niet te bevatten machteloos voelt, terwijl hij een wereld van verschil heeft gemaakt die avond? Heeft de leerkracht daar een boodschap aan, als het haar niet goed lukt om het tafelbonkende jongetje te helpen dat steeds in zijn broek plast en nachtmerries heeft omdat zijn vader voor zijn ogen is verdronken?

We ploeteren, maken lange dagen, maar aan de oorzaak van de ellende verandert niets. De bootjes blijven aankomen, de wachtrij voor de kliniek wordt elke dag langer, de opvang blijft slecht, de wachtlijst voor de school wordt nooit korter, Europa lijkt nog steeds geen warm welkom aan deze mensen te willen geven en onze teams raken uitgeput.

Ballonnen blazen

Toch gaan we door. Omdat er mensen nodig zijn die een glimlach bezorgen aan kinderen die niet kunnen vluchten voor hun boze dromen, die trompet spelen op de puinhopen van hun bestaan. Die hun hand pakken en met hen touwtjespringen op het roze stoepkrijt naast het prikkeldraad. Er zijn dokters nodig die ballonnen blazen van plastic handschoenen voor dat 14-jarige meisje dat onderweg is verkracht.

Er moeten mensen zijn die zeggen: kom maar in mijn armen. Er moeten mensen zijn die pleisters plakken op gebroken harten. Er moeten juffen zijn die liedjes zingen met kinderen van verdronken moeders. Er moeten mensen zijn die op de hekken van Moria in grote witte letters ”liefde” verven en liefde zijn.

De auteur is directeur van Stichting Bootvluchteling.