Privacy en vertrouwen

„Gegevens zijn juist door de technologie veel gemakkelijker op te slaan en te verspreiden en daarin schuilt het gevaar dat ze te pas en te onpas worden opgeslagen en verspreid." beeld iStock

Privacy blijft de gemoederen bezighouden. Vanaf 25 mei geldt de Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG). Dat is een Europese regeling waar Nederland ook aan gebonden is en waarin organisaties regels krijgen voor het omgaan met gegevens over mensen. Die organisaties kunnen overheden zijn of bedrijven, maar ook scholen en universiteiten. Helemaal nieuw is de regeling niet, want elke organisatie die zich netjes gehouden heeft aan al bestaande wetgeving zou eigenlijk alles op orde moeten hebben. Dat niet iedere organisatie dat gedaan heeft, werd wel duidelijk toen Facebook gegevens van gebruikers doorgesluisd bleek te hebben naar derden. De wereld was te klein toen dit bekend werd. Facebook haastte zich om zich te verontschuldigen en maatregelen te nemen.

Privacy is niet van vandaag of gisteren. Wetgeving die beoogt gegevens te beschermen, is al zeker meer dan twee eeuwen oud. In de Verenigde Staten kwam de zorg om privacy op toen de overheid aan het einde van de achttiende eeuw bij volkstellingen steeds meer gegevens begon te verzamelen. Pas in 1919 heeft het Amerikaanse Congres een wet aangenomen die het gebruik en verspreiden van die gegevens aan banden legt. Eerder, in 1782, kwam er een wet die het postbodes verbood stiekem de post te openen. Ze moesten daar zelfs een eed op zweren. In 1880 zorgde een nieuwe wet voor de bescherming van telegrammen. De telegraaf bestond toen al enkele decennia. Sindsdien zijn er steeds meer wetten aangenomen die de gegevens van mensen beschermen.

Uit de voorbeelden blijkt wel dat het vooral de technologische ontwikkelingen geweest zijn die gegevensbescherming nodig gemaakt hebben. Oorspronkelijk werd het hele begrip privacy zelfs anders ingevuld, namelijk als het recht om je terug te trekken en niet gezien of lastiggevallen te worden. Die betekenis geldt ook vandaag nog, maar is overvleugeld door de tweede betekenis, namelijk die van gegevensbescherming. Gegevens zijn juist door de technologie veel gemakkelijker op te slaan en te verspreiden, en daarin schuilt het gevaar dat ze te pas en te onpas worden opgeslagen en verspreid.

Recent stond privacy op de agenda in verband met de nieuwe wetgeving rond de veiligheidsdiensten. Er moest een referendum aan te pas komen om te zien hoe groot de zorg van de Nederlandse bevolking over haar privacy was. Die bleek niet onaanzienlijk te zijn en als het referendum bepalend was geweest voor het al dan niet aannemen van de nieuwe wet, was die gesneuveld. Het was al veelzeggend dat de wet vooral door de tegenstanders als ‘sleepwet’ werd aangeduid, terwijl het ‘slepen’ van informatie maar een deelaspect van de hele wet was.

Uit ervaring weet ik dat ook lerarenopleidingen met privacywetgeving van doen hebben. Aan de lerarenopleiding van de Technische Universiteit Delft waren wij gewend om stagiairs met een camera opnames van hun eigen functioneren in de klas te laten maken, maar onlangs deelde een stageschool mee dat dit vanwege privacyoverwegingen niet langer werd toegestaan. Student en opleiding verloren daarmee een belangrijk hulpmiddel bij het leerproces en bij de beoordeling van de stage. Het is de vraag wie er bij die actie gebaat is. De zorg om privacy kan ook doorschieten.

In elk geval staat de commotie over privacy in schril contrast met het gemak waarmee wij bij ons internetgebruik links en rechts gegevens achterlaten zonder ons daar druk over te maken. Het lijkt mij niet zo consequent om tegen de zogenaamde sleepwet te stemmen, en ondertussen voor een gratis aardigheidje allerlei persoonlijke gegevens te ‘verkopen’ aan een bedrijf.

Eén ding is voor een christen wel duidelijk: tegenover God hebben wij in elk geval geen privacy. Hij kent ons door en door. De dichter van Psalm 139 heeft dat prachtig verwoord. Moeten we ons daar bezorgd over maken, dat God alles van ons weet? Dat hangt ervan af hoe wij tegenover Hem staan. Als we geen persoonlijke relatie met Hem hebben, kon de gedachte van Psalm 139 weleens zorgen wekken. Maar wie Hem kent als een hemelse Vader is juist heel blij dat Hij alles weet. Die verwondert zich dat Hij desondanks van hem of haar houdt. Zou het zo niet in het algemeen zijn met privacy? Als ik na een ongeluk in een ziekenhuis beland, ben ik maar al te blij dat ze mijn medische gegevens daar kunnen inzien, aangenomen dat ik ziekenhuizen en artsen vertrouw. In de huidige discussies lijkt privacy haast een absoluut begrip te zijn. Het is de vraag of dat terecht is. Op zijn minst zou privacy tegen vertrouwen afgewogen moeten worden. Dat zou de kramp weleens uit een heleboel privacydiscussies kunnen halen.

Prof. dr. Marc J. de Vries is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Delft.