Kerkfusie niet altijd reden tot vreugde

De gezamenlijke bijeenkomst van synodeleden van de GKV en NGK in Kampen op 11 november. beeld RD

Een halve eeuw na de scheuring van hun kerk hebben de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken beslissende stappen gezet naar hereniging. Zeker bij de vrijgemaakten is er de laatste jaren veel veranderd. In hoeverre leven discussies over de landelijke kerk nog op het grondvlak en met name bij jongeren?

Twee weken geleden hielden gereformeerd-vrijgemaakte en Nederlands gereformeerde synodeleden een gemeenschappelijke bijeenkomst in Kampen. Vrijwel unaniem werd het verlangen naar eenheid uitgesproken. Wie dat, gezien de kerkelijke verdeeldheid, als een positieve ontwikkeling ziet, moet zich echter wel realiseren in welke context dit plaatsvindt.

Opgeschoven

Dat beide kerken elkaar nu vinden, komt doordat de vrijgemaakten de afgelopen decennia behoorlijk zijn opgeschoven. Niet alleen zijn ze afgestapt van de gedachte dat alleen zij de ware kerk vormden, maar, in de terminologie van godsdienstsocioloog Dekker, zijn ze van orthodox-gereformeerd modern-gereformeerd geworden. Dat laatste is bepaald geen verbetering. De Nederlands gereformeerden hadden die route al eerder afgelegd.

Het recente besluit van de gereformeerd-vrijgemaakte synode om alle ambten open te stellen voor vrouwelijke leden is een duidelijke indicatie van deze verschuiving. Maar het is bepaald niet de enige. Een vrijer omgaan met de Bijbel en de belijdenis wijst daar ook op. Het teruglopend kerkbezoek in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, met name van de tweede dienst, is eveneens een relevante indicator.

In de tijd van hoofdredacteur Piet Jongeling (1909-1985) en ook nog wel daarna was het Nederlands Dagblad een krant die zich fel verzette tegen allerlei ontwikkelingen in kerk en maatschappij. Maar veel van wat men destijds afwees, wordt nu door de redactie uitgedragen.

Verdeeldheid

De grote verdeeldheid onder hen die zich christen noemen, manifesteert zich zowel op het niveau van theologie en ethiek (leer en leven) als op het institutionele (kerkelijke) niveau. Beide niveaus hangen uiteraard met elkaar samen, maar vallen niet samen.

Tot in het midden van de vorige eeuw werd door de Gereformeerde Kerken in Nederland gesteld dat men zich niet kon verenigen met de Nederlandse Hervormde Kerk vanwege de daar bestaande leervrijheid. In die kerk had immers ook de vrijzinnigheid een plaats.

Enkele decennia later echter werden theologen als Kuitert en Wiersinga met hun sterk afwijkende opvattingen in de Gereformeerde Kerken getolereerd en geaccepteerd en kregen ze daar steeds meer aanhang. Het bezwaar van de leervrijheid kon men toen tegenover de hervormden niet meer aanvoeren. Zo kwam de weg vrij voor een samengaan van beide kerken.

Overigens lag er meer dan veertig jaar tussen de eerste bijeenkomst van ”De Achttien”, de predikanten die zich uitspraken tegen de gescheidenheid van de kerken, en het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland. Niet voor niets spreken we van institutionele traagheid. Die werkt overigens ook naar de andere kant. Ondanks grote interne verschillen blijven allerlei kerkverbanden toch voortbestaan. De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn daar een voorbeeld van.

Het zal dus nog wel even duren voor de vrijgemaakten en de vroegere buitenverbanders één zijn. Dat de fusie „zo spoedig mogelijk” moet plaats vinden, werd uit de gemeenschappelijke verklaring geschrapt.

Op kerkordelijk niveau moet er uiteraard ook het een en ander geregeld worden en er moet een naam bedacht worden voor het nieuwe kerkverband. Wordt dat Herenigde Gereformeerde Kerken of Evangelisch Gereformeerde Kerken?

Sommigen zouden wellicht het woord gereformeerd in de nieuwe kerknaam het liefst helemaal achterwege laten. Op de bijeenkomst in Kampen typeerde een Nederlands gereformeerde deelnemer de binding aan de belijdenis als een betonblok aan het been. Dat zal niet iedereen in zijn kerkverband hem nazeggen, maar hij is in zijn kring ook weer niet de enige die er zo over denkt.

Grondvlak

Opvallend was ook een artikel van Agnes Amelink begin november in het Nederlands Dagblad. Zij beklemtoonde dat zeker in de Nederlands Gereformeerde Kerken, waar zij preekconsent heeft, een vereniging van beide kerkverbanden helemaal niet leeft. Althans, niet op het grondvlak.

Mensen voelen zich lid van een plaatselijke gemeente. Welk naambordje daar op de deur zit, is niet zo relevant. Het gaat hen om een kerk waar ze zich thuis kunnen voelen. „Dat vinden ze in de ene plaats bij de NGK, ergens anders bij de PKN, of bij de baptisten of de oud-katholieken.” Voor hen zijn dat allemaal filialen van de ene, heilige, katholieke kerk van Christus, zo schreef zij.

De eveneens Nederlands gereformeerde prof. Oldenhuis liet recent in een interview in het Reformatorisch Dagblad eenzelfde geluid horen. Zeker de jongere generatie is volgens hem in het geheel niet meer geïnteresseerd in wat de synode van het eigen kerkverband verhandelt en besluit.

Individualisering

Die reacties zijn goed te plaatsen, bijvoorbeeld tegen de achtergrond van de individualisering van onze maatschappij. Onpersoonlijke, landelijke instituten, waar mensen zich vroeger sterk mee verbonden voelden, zijn tegenwoordig niet meer in trek. Dat geldt ook voor kerkverbanden. Wat heb je daar aan en wat moet je daar mee, zo vragen velen zich af. Niet voor niets bestaat de evangelische wereld, die op allerlei punten goed afgestemd is op de moderne tijd, uit allerlei losse gemeenten en tamelijk losse verbanden van gemeenten.

Mensen maken tegenwoordig hun eigen keuzes. Meestal niet voor hun hele leven, maar voor zo lang het duurt. Wat past bij mij? Waar voel ik mij thuis? Waar kan ik mijzelf zijn? Bij de keuze voor een kerkelijke gemeente gaat het dan vaak meer om de sfeer dan om de leer. Men zoekt een warme gemeente die zich kenmerkt door een grote openheid en vrijheid.

Daarnaast heeft men in onze netwerksamenleving veelal een variëteit aan contacten met christenen van allerlei signatuur. Waarom zou je daarbij moeilijk doen over leerstellige vragen? Dat was iets voor de generatie van je opa en leidde alleen maar tot conflicten en scheuringen. We zijn toch allemaal christenen? „Samen in de Naam van Jezus heffen wij een loflied aan.” Wat wil je dan nog meer?

Nu is het natuurlijk zo dat, ook in kerken ter rechterzijde, veel kerkleden niet echt betrokken zijn bij allerlei synodebesluiten en synodale discussies. Zij hebben daar in de praktijk weinig mee te maken en het gaat hen vaak boven de pet.

De kerk is voor hen primair de plaatselijke gemeente. Dat standpunt is begrijpelijk en ook nog goed te verdedigen. Maar tegelijkertijd is er ook een bredere, bovenplaatselijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid die in het kerkverband gestalte krijgt.

Geen vreugde

Waar je de rechte leer van groot belang acht, waar je hecht aan de gereformeerde belijdenis, waar je de kerkelijke tucht over leer en leven beschouwt als een wezenlijk kenmerk van de kerk, daar heeft het kerkverband wel degelijk een functie. Niet alleen om de kudde bij elkaar te houden en verloren schapen op te zoeken, maar ook om ze op het rechte pad te houden.

Als je weet dat de poort eng is en de weg nauw die naar het leven leidt en dat weinigen die zullen vinden, dan zul je er niet zo makkelijk van uitgaan dat vrijwel iedereen die zich christen noemt dat ook is in de wezenlijke betekenis van dat woord. Kerkelijke verdeeldheid geldt dan in tal van gevallen als een onvermijdelijk gevolg van een dieperliggende theologische en ethische verdeeldheid. Een hereniging van kerken die elkaar kunnen vinden omdat ze zich steeds meer laten leiden door de tijdgeest is dan geen reden tot vreugde.