George Whitefield: massaprediker in de openlucht

De prediking van George Whitefield (1714-1770) luidde het begin in van een internationale opwekking in een eeuw van verval, stelt ds. P. den Ouden.

George Whitefield leefde in de achttiende eeuw, een eeuw die veel lijkt op onze tijd. Zijn leven laat zien dat de Heere een God is Die wonderen doet. Het is goed om stil te staan bij zijn leven, opdat onze hoop zou herleven, onze gebeden zouden verlevendigen en wij meer geloof zouden hebben in de levendmakende kracht van het Evangelie.

In de achttiende eeuw heerste in de kerk een onbeschrijfelijke ingezonkenheid. De meeste predikanten leidden een werelds leven, ze lazen nauwelijks in de Bijbel. Op zondagmiddag waren ze met hun gemeenteleden op het sportveld te vinden, en in de kroeg. De samenleving had met alle godsdienst afgerekend. Het maatschappelijk verval was ontstellend. Onzedelijkheid, dronkenschap en criminaliteit waren aan de orde van de dag. Benjamin Keach klaagde in 1701 dat homoseksualiteit algemeen aanvaard was en openlijk werd bedreven.

In deze tijd werd George Whitefield geboren, in 1714 in Gloucester, Zuidwest-Engeland. Zijn vader was eigenaar van een hotel, maar stierf jong. Thuis werd weinig aan godsdienst gedaan, hoewel George als schooljongen soms indrukken van dood en eeuwigheid had. Vanwege armoede moest hij in het hotel werken, maar op aandringen van zijn moeder en met hulp van vrienden ging hij op zestienjarige leeftijd in Oxford theologie studeren. Daar kreeg hij contact met Charles en John Wesley, die met nog een paar medestudenten elke week bijeenkwamen om met elkaar te lezen, te bidden en elkaar aan te sporen om tegen de zonde te strijden. George sloot zich bij hen aan.

Met alle goedbedoelde ernst was Whitefield er echter blind voor dat hij bezig was om zijn eigengerechtigheid op te richten. Een boek dat zijn vriend Charles Wesley aan hem gaf, liet hem toen zien dat hij zo geen echte christen was. Hij ontdekte dat daarvoor een „levende vereniging met de Zoon van God” nodig is.

Zekerheid

Toch bleef hij ook in de periode erna het nog te veel van zijn eigen inspanningen verwachten. Maar daar kwam verandering in. Op een dag had hij last van erge dorst. Hij moest toen denken aan Christus, Die aan het kruis had uitgeroepen: „Mij dorst.” Toen riep Whitefield zelf uit: „Mij dorst, mij dorst!” Zijn ziel dorstte naar God. En toen kwam Hij. George schrijft daarover: „Het behaagde Hem om de zware last van mij weg te nemen en Hij gaf het mij om Zijn lieve Zoon aan te grijpen met een levend geloof, en, door mij de Geest der aanneming te schenken, mij te verzegelen, naar ik ootmoedig mag hopen, tot de dag van mijn eeuwige verlossing. O, met wat voor een vreugde, wat voor een onuitsprekelijke vreugde, een vreugde vol van heerlijkheid werd mijn ziel vervuld, toen de last der zonde van mij was weggenomen en een blijvend gevoel van de vergevende liefde van God en de volle zekerheid des geloofs doorbrak in mijn ontroostbare ziel.”

Whitefield was toen twintig jaar. Zijn hevige geestelijke worstelingen hadden zijn krachten zo ondermijnd dat hij Oxford verliet om bij vrienden in Gloucester weer wat aan te sterken. Het was een tijd van intense omgang met Gods Woord en van gebed. „O, wat een zoete gemeenschap met God werd mij iedere dag in het gebed weer vergund. Hoe zeker voelde ik dat Christus in mij woonde en ik in Hem.” Daarbij las hij veel in de puriteinen. Het heeft hem gevormd tot een Bijbelse, gereformeerde prediker.

Op 23-jarige leeftijd werd Whitefield predikant in de Engelse staatskerk. Het kerkvolk werd toentertijd voorgehouden dat een deugdzaam leven en het trouw gebruik van de sacramenten genoeg waren om zalig te worden. De preken waren moralistisch. De Heere heeft de jonge Whitefield als een tweede Luther willen gebruiken om het Evangelielicht weer op de kandelaar te zetten.

Welsprekendheid

De Heere had hem de gave van een zeldzame welsprekendheid geschonken. Reeds vanaf zijn eerste preek maakten zijn woorden diepe indruk, harten werden geraakt en verbroken. Dat was echter allereerst toe te schrijven aan de zalving met de Heilige Geest. Als een evangelist sprak hij met grote vrijmoedigheid en bewogenheid waar hij ook kwam: in de huizen, in achterbuurten en gevangenissen.

Whitefield werd spoedig gevraagd om in Londen te komen preken. Hij preekte ieder dag twee, drie keer en trok steeds overvolle kerken. Velen kwamen van de vroege morgen tot in de nacht naar hem toe met zielsvragen. Hij mocht hen tot Christus leiden.

Op oudejaarsavond 1739 kwamen er in Londen zo’n zestig vrienden voor een bidstond bij elkaar. Whitefield en de gebroeders Charles en John Wesley waren erbij. Het luidde het begin in van een grote opwekking in Engeland. Wesley noteert hierover in zijn dagboek: „Het was ongeveer drie uur in de ochtend, al die tijd waren we in gebed bijeen, toen de kracht van God met zo’n macht over ons kwam, dat velen het uitriepen, overstelpt door vreugde; anderen vielen neer. Nadat we van ons eerbiedig ontzag en verwondering over de aanwezigheid van Gods Hoogheid tot onszelf waren gekomen riepen we als met één stem uit: Wij loven U, o God, wij weten dat Gij de Heere zijt.”

Het begin van een opwekking was geboren; een opwekking die zich ook zou uitbreiden naar Wales, Schotland, Amerika en het vasteland van Europa.

Zwartbestofte wangen

Whitefield stuitte toen meer en meer op tegenstand. Kansels werden voor hem gesloten. Daarom zocht hij andere wegen. Bij Kingswood, in de buurt van Bristol, in Zuidwest-Engeland, waren vele steenkolenmijnen. De arbeids- en levensomstandigheden waren erbarmelijk. Velen stierven in de mijnen. Drankmisbruik, prostitutie en geweld waren aan de orde van de dag.

Met nog twee andere vrienden ging Whitefield daarheen, 25 jaar oud. Hij sprak voor zo’n 200 mensen. Ze waren diep geraakt dat iemand zich hun lot aantrok en met liefde tot hen sprak. Hij beloofde een paar dagen later weer te komen. Op die dag bleken duizenden jongeren en ouderen, vuil en verwilderd, zich verzameld te hebben. Whitefield tekent erover op: „De eerste tekenen dat ze geraakt waren door het Woord waren de witte strepen op hun gezicht, door de tranen die over hun zwartbestofte wangen rolden, omdat ze regelrecht uit de kolenmijn gekomen waren. Honderden en nog eens honderden kwamen onder diepe overtuigingen, die, zoals de afloop heeft bewezen, uitliepen op een hartelijke, waarachtige bekering.”

Vanaf toen preekte hij hoofdzakelijk in de openlucht. Regelmatig gebeurde het dat hij ’s ochtends om zes uur al voor duizenden mensen preekte.

In diezelfde tijd bereikte vanuit Amerika Whitefield het verzoek om ook daar het Woord te brengen. Zeven keer heeft hij in zijn leven de grote oversteek gemaakt om er te paard rond te trekken en te preken. Ook daar werden zijn preken door duizenden mensen aangehoord.

De eerste keer op vrijdag 15 oktober 1740 kwam Whitefield, nog maar een jongeman van 25 jaar, in Northampton aan en was hij een week te gast bij Jonathan Edwards. Het was het begin van wat in de kerkgeschiedenis bekendstaat als ”the Great Awakening”, de grote opwekking. De vrouw van Edwards, Sara, schrijft over Whitefield: „Het is onvoorstelbaar hoe hij kan preken. Meer dan duizend mensen hingen aan zijn lippen, er heerste een diepe stilte, die af en toe onderbroken werd door een onderdrukte snik. Hij spreekt met een hart dat brandt van liefde en hij spreekt met een onweerstaanbaar gezag. Vele, vele mensen in Northampton beschouwen deze dag als de dag waarop zij andere gedachten, andere begeerten, nieuwe voornemens en een nieuw leven hebben gekregen.”

Opgebrande kaars

Die jaren van onafgebroken arbeid hebben Whitefields krachten verteerd. Astmatische bronchitis maakte het hem steeds moeilijker om te preken. Diverse malen zag hij zich genoodzaakt rust te nemen, maar dat hielp nauwelijks.

Zo kwam hij totaal uitgeput op zaterdagavond 29 september 1770 in Newburyport aan. Het gerucht van zijn komst was hem vooruitgegaan. Vele mensen stonden op hem te wachten. Ondanks dat zijn lichaam het nauwelijks toeliet, wilde hij toch preken. Toen hij op de preekstoel kwam, stond hij een paar minuten zonder iets te zeggen vanwege de ademnood. Maar toen begon hij: „Mijn zon is opgegaan, en heeft met de hulp des hemels velen licht gegeven. Nu gaat zij onder. O nee, ze zal juist spoedig opgaan en rijzen naar haar hoogtepunt van onsterfelijke heerlijkheid. Mijn lichaam bezwijkt, maar mijn geest klimt op. Hoe gewillig zou ik zijn om te leven om Christus te preken. Maar ik sterf, om bij Hem te zijn.” Een paar uur later stierf hij op 56-jarige leeftijd.

Whitefield was in Gods handen een bijzonder middel om zijn vervallen kerk weer te verlevendigen. Wat was nu het grote geheim van zijn zegenrijke bediening? Er is maar één antwoord: een diepe liefde tot Christus en een onafgebroken nauwe omgang met Hem. Dat is het grote geheim van dit rijkgezegende leven.

De auteur is hersteld hervormd predikant in Katwijk aan Zee. Dit artikel is gebaseerd op een lezing die hij 12 mei in Lienden hield voor studievereniging Koinonia.