Genadige liefde is dragende grond Dordtse Leerregels

Na de val is er nog enige kennis van God en van de natuurlijke dingen, onderscheid tussen goed en kwaad, deugd en tucht overgebleven, zeggen de Dordtse Leerregels (hoofdstuk III/IV, art. 4). Foto: op 6 mei debatteerden scholieren in de Grote Kerk van Dordrecht aan de hand van stellingen over de vrije wil. beeld Dirk Hol

Over het mensbeeld en het godsbeeld in de Dordtse Leerregels bestaat verwarring. Daarom verdienen ze nadere bestudering. Deze leerregels zijn niet zo dualistisch als ze lijken. Dit heeft niet alleen implicaties voor opvoeding en onderwijs, maar ook voor pastoraat en hulpverlening.

Vlak na de vakantie stormde ze mijn kamer binnen: „Vind jij ook niet dat de gereformeerde leer heel dualistisch is?” „Ook goedemorgen! Hoe was je vakantie?” Maar al snel zaten we bij haar worsteling: al het goede komt van God, al het slechte van de mens. Het is zwart-wit, een tegenstelling, het een of het ander. En als mens zit je volledig aan de ‘foute’ kant. Maar klopt dat wel? En is dat niet heel ongezond voor je?

Vierhonderd jaar na de Synode van Dordrecht (1618-1619) zijn deze vragen zowel uit theologisch als uit psychologisch oogpunt relevant. De leer van de uitverkiezing en wedergeboorte, zoals verwoord in de Dordtse Leerregels, doet psychologisch gezien iets met mensen. Hoe zit het met de wijze waarop in dit belijdenisgeschrift over God en mens gesproken wordt, en welke implicaties heeft dat?

Mensbeeld

Wat de Dordtse Leerregels in het begin van hoofdstuk III/IV over God, mens en wedergeboorte zeggen, is niet bemoedigend. Door de zondeval hebben wij mensen allerhande blindheid, duisternis, slechtheid en hardheid over onszelf gebracht (art. 1). We zijn krachteloos, niet in staat onszelf te redden of Gods wet te houden (art. 5). Het wordt niets met ons, tenzij God ingrijpt, wat Hij ook doet (art. 6).

God roept door het Evangelie. Geef je hieraan geen gehoor, dan ligt dat niet aan God, maar aan jezelf (art. 9). Gehoorzaam je Gods roepstem wel, dan is dat niet voor eigen rekening, maar dankzij de Heere (art. 10).

Het mensbeeld is hier zwart. Op zich kan dit mensbeeld een gezond tegenwicht bieden aan onze ik-gerichte cultuur, waarin autonomie centraal staat. Deze krenking van ons zelf kan heilzaam zijn binnen onze neoliberale samenleving, met haar gerichtheid op successen en prestaties. ‘Dordt’ kan ons onze plek wijzen, waardoor we klein worden voor God, in het besef dat we ten diepste verloren zijn en volledig aangewezen zijn op Gods genade.

Keerzijde

Tegelijkertijd is er een keerzijde. Soms is deze krenking van het zelf niet te verdragen, bijvoorbeeld als dit boven op veroordeling in intermenselijke relaties komt. Er blijft dan geen psychologische basis over om iemand te zijn. Wanneer er sprake is van (kwetsbaarheid voor) psychopathologie, door ongezonde interacties in gezin (of kerk), van onvoldoende ruimte voor een gezonde ontwikkeling of van traumatische ervaringen, en mensen uitsluitend op een zwart-witte manier naar zichzelf en anderen kijken, dan kan deze zwarte kant van de Dordtse Leerregels heel ingrijpend zijn. Met lijden, angst of depressie tot gevolg.

Het is dan ook van groot belang te vragen: Is dit het enige wat er te lezen valt over het mensbeeld? Is het terecht als mensen de conclusie trekken: je bent slecht, er komt niets goeds bij jou vandaan en je bent walgelijk in Gods ogen? En is het terecht als deze mensvisie vervolgens ook opvoedingsstijlen en ouder-kind-interacties doortrekt?

Naar Gods beeld

Het korte antwoord luidt: nee, dit is niet terecht. Want het goede doen en het bestaan van goede eigenschappen van mensen ontkennen de Dordtse Leerregels niet volledig. In hoofdstuk III/IV wordt gezegd dat mensen van den beginne naar Gods beeld geschapen zijn, in kennis, gerechtigheid en heiligheid (art. 1). Na de val is er nog enige kennis van God en van de natuurlijke dingen, onderscheid tussen goed en kwaad, deugd en tucht overgebleven (art. 4).

Dat heeft implicaties voor hoe je naar jezelf en anderen kijkt, voor opvoeding, onderwijs, pastoraat en hulpverlening: kinderen of volwassenen als totaal slecht benaderen, is niet in lijn met het mensbeeld dat het belijdenisgeschrift schetst. Vanuit de belijdenis is er ruimte om op een evenwichtige manier naar jezelf en naar anderen te kijken.

Godsbeeld

Toch brengt het voorgaande ons met het oog op onze zaligheid niet verder. Voor onze wedergeboorte zijn we tot niets goeds in staat en volledig op de Heere aangewezen: „En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, die God zonder ons in ons werkt...” (art 12). Deze opwekking uit de doden geeft vreugde, want het is een geschenk van God dat je om niet ontvangt (art. 14), een genade die Hij aan niemand verschuldigd is (art. 15).

Tegelijkertijd raakt dat de onzekerheid. Immers, je kunt het ook niet krijgen; dat is aan God. Gaat Hij het wel doen? Ben ik wel wedergeboren, uitverkoren?

Bij deze onzekerheid speelt het godsbeeld waarmee we de Dordtse Leerregels lezen sterk mee. Daarom is het van belang goed te kijken hoe ‘Dordt’ over God spreekt. God is inderdaad de verkiezende en oordelende God. Toch begint het belijdenisgeschrift in het eerste hoofdstuk (art. I, 2) over een God Die wezenlijk liefde is (1 Johannes 4) en Die de wereld zo liefheeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Johannes 3:16). Daarom spreken we ook terecht over Gods verkiezende liefde.

Verkiezing en oordeel moeten we eveneens in dit perspectief zien. Dat betekent dat ook de vraag naar het mensbeeld in dat licht komt te staan. Is er meer te zeggen over mensen dan dat ze door eigen schuld verloren zijn en alleen door Gods genade behouden worden? Ja, Gods liefde gaat daar nog aan vooraf (zie Jeremia 31:3: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”). Daar staat spanning op, en niets is vanzelfsprekend, want God verkiest. Hij is echter niet de karige God Die ons maar een beetje laat bungelen, maar de gevende God, de God van Pasen, Die mij laat opstaan uit de doden. En dat is een geschenk.

Context

De Dordtse Leerregels zijn een belijdenisgeschrift dat ergens op reageert. Daarom moeten we bij het lezen ervan altijd de context in aanmerking nemen.

Onze hedendaagse kerkelijke context, waarin God soms vooral Degene is Die voor je zorgt en er altijd bij is, kan nog steeds aanleiding zijn om Gods soevereiniteit en het wonder van de wedergeboorte te benadrukken. In een context waarin sprake is van veel onzekerheid en angst, als het gaat om wie God voor mij is (wellicht ook psychisch lijden), kan het beter zijn om andere accenten te leggen en explicieter te wijzen op de genadige liefde van de Heere. Dit staat niet haaks op dit belijdenisgeschrift, maar is erin verweven en is ook de dragende grond ervan.

De auteur is rector van het Kennisinstituut christelijke ggz (Eleos/ De Hoop ggz) en bijzonder hoogleraar klinische godsdienstpsychologie aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is een samenvatting van de lezing die zij hield tijdens het congres ”De theologie van Dordt en de kerk van vandaag”, op 10 mei in Apeldoorn.