Er ligt nog grotere schuld tegenover Joodse volk

Schuldbelijdenis jodenvervolging
beeld RD, Henk Visscher

Nu er veel aandacht is gegeven aan de schuld van ons voorgeslacht in de houding tegenover het Joodse volk, is het de hoogste tijd om aandacht te vragen voor onze huidige schuld bij het Joodse volk. En dat vanwege hun en onze Messias.

Er zijn veel ootmoedige woorden gesproken over schuld in het verleden en ik denk dat geen enkel deputaatschap dat zich met het Joodse volk bezighoudt, zal zeggen dat we ons als christenen de eeuwen door voorbeeldig gedragen hebben. Wat is er voor ons als christenen ook veel om ons voor te schamen rond het misbruik van de naam van Christus, met name ook tegenover het Joodse volk. Denk aan de kruistochten en de pogroms. Over de houding van velen tijdens de Tweede Wereldoorlog is uitvoerig geschreven. Toch hebben ook met name christenen met gevaar voor eigen leven Joodse mensen geholpen. Maar daarnaast was vaak een lakse opstelling een verdrietige werkelijkheid. Over deze zaken is veel geschreven en gezegd. Terecht.

Pijnlijk

Over het al of niet mogelijk zijn van schuld belijden voor het voorgeslacht hebben enkele rabbijnen zich al duidelijk uitgelaten. Laat er toch geen twist over ontstaan. Twist komt voort uit hoogmoed. Terecht is al opgemerkt dat ootmoed ons past. Hoe zouden we ons gedragen hebben als wij toen leefden? Laten we niet boven ons voorgeslacht gaan staan.

Ik ben echter verdrietig geworden tijdens het lezen van de opgestelde verklaring (RD 13-11) die jongstleden zondag in een aantal kerkelijke gemeenten is voorgelezen. Ik miste daarin pijnlijk de naam van Christus; voor de Joden de naam van de Messias. Is het niet de hoogste tijd om Hem, Wiens naam in het verleden schandelijk misbruikt is, aan te wijzen en aan te prijzen als de beloofde Verlosser en Zaligmaker? Als Christus, de Messias, ons wezenlijk lief is en als we het Joodse volk liefhebben, willen we hen dan niet verenigd zien, als een Bruidegom met Zijn bruid? De Joodse predikant Baruch Maoz noemde het een „wrede barmhartigheid” als men de Joden van alles wil geven, maar hun Christus onthoudt. Ligt hier voor ons geen zware schuld? Wat is er onder ons van de liefde die Paulus toonde toen hij schreef: „Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees” (Romeinen 9:3).

2020-11-13-OPN1-SDNederland-7-FC-V_webVerklaring: Wij erkennen onze nalatigheid tegenover het Joodse volk

Jaloersheid

Schuld, zware schuld, laden we op ons als we deze boodschap aan de beminden om der vaderen wil onthouden. Ik wil nu niet teruggaan in de kerkgeschiedenis om naar een voorgeslacht te wijzen dat de Evangelieverkondiging aan de Joden soms vergeten is, maar bij het heden blijven. Hebben we er onszelf voor over om het Joodse volk aan te spreken over de Messias, die ook hun Messias wil zijn? Je legt er vaak geen eer mee in, maar dat mag ook de bedoeling niet zijn. Als ik met sommige orthodoxe Joden contacten kreeg, verweet men mij wel erger te zijn dan de nazi’s. Ik probeerde hen te begrijpen. Ik kon niet boven hen staan, maar kreeg de meeste vrijmoedigheid als ik de wortel van vijandschap ook in mijn eigen hart zag. Ik heb geleerd dat zo iemand met God verzoend kan worden door de Heere Jezus Christus. De ervaring hiervan geeft ons een lage plaats, maar ook liefde en vrijmoedigheid in het uitdragen van de boodschap van genade voor zondaren. De Joodse schrijver Pinchas Lapide heeft gezegd dat het christenen nog niet gelukt is het Joodse volk tot jaloersheid te verwekken (Romeinen 11:14). Laat het ons verlangen en onze bede zijn. Er is in dit verband ook geschreven over de bloedtekst (Mattheüs 27:25), waar het deputaatschap van de Gereformeerde Gemeenten in 2003 een studiedag over heeft gehouden. Christus’ bloed roept niet om wraak, maar om vergeving en verzoening. Dit bloed der besprenging spreekt betere dingen dan Abel (Hebreeën 12:24).

Het moet een bede worden voor onszelf en voor het Joodse volk: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen” (Mattheus 27:25). Ik heb weleens een doopdienst en ook weleens een belijdenisdienst gehouden met deze woorden. Als dan tot ons gezegd wordt wat het Sanhedrin zei: „Gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen” (Handelingen 5:28), dan mogen we antwoorden: „Ja, wij begeren dat het bloed van de Messias over ons en over u gesprengd wordt, zoals Mozes dit afschaduwde, toen hij bij de Sinaï het bloed van de jonge ossen op het volk sprengde.”

De toepassing van het bloed van Christus brengt geen verdeeldheid door hoogmoed, maar eenheid in ootmoed.

De auteur is emeritus predikant in de Gereformeerde Gemeenten en oud-voorzitter van het deputaatschap voor Israël.