Pleidooi voor rentmeesterschap is Bijbelse opdracht

Week van de schepping
"Daar zij licht". beeld iStock

„Denk met me mee”, vroeg minister Schouten zaterdag aan de bezoekers van de SGP-jongerendag. Op de agenda stonden thema’s als voedselverspilling, vleesconsumptie, ontwikkelingssamenwerking en moderne slavernij in de kledingindustrie. Schouten wil christelijke jongeren graag betrekken bij het debat hierover.

Dat roept de fundamentele vraag op of christenen zich wel zo druk moeten maken over eerlijke handel en milieuvraagstukken. Die discussie over duurzaamheid is toch ontstaan in de kring van antroposofen, bomenpraters en andere zweverige types, vanuit de gedachte dat Moeder Aarde een levend organisme is dat alle leven op aarde verbindt met de levenloze natuur tot een perfecte harmonie? Wat moeten christenen die de Bijbel als gezaghebbende bron voor hun leven beschouwen met zulke theorieën?

Het is niet zo vreemd dat het thema rentmeesterschap nauwelijks aandacht kreeg in preken in de tijd van de Reformatie en de daaropvolgende eeuwen. In die tijd was de wereldbevolking maar een fractie van de 7 miljard zielen die de aarde nu telt. Maar ook in recentere handboeken van ethici staan vooral lange beschouwingen over huwelijk en homoseksualiteit, abortus en amusement, oorlog en vrede, secularisatie en zondagsrust. Het lijkt erop dat christenen pas sinds de laatste decennia dieper nadenken over natuurbehoud en duurzaamheid.

Toch is de oproep daarvoor terug te vinden in de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Het geloof dat de aarde in zes dagen geschapen is, biedt hier meer houvast dan de evolutiegedachte. Het is zelfs een van de drie geboden die nadrukkelijk tot de mens gericht zijn in het paradijs, op de zesde scheppingsdag. God stelde daar het huwelijk in, Hij gebood de mens zich voort te planten en gaf opdracht om met zorg te regeren over alle levende wezens op aarde. Het voorschrift om de aarde te bouwen en te bewaren heeft dus al oudere papieren dan dat voor de sabbatsrust. Dat zou reformatorische christenen in elk geval de spiegel moeten voorhouden dat het leven niet behoort te draaien om produceren en consumeren. Overigens is dat ook rechtstreeks af te leiden uit de wekelijks terugkerende rustdag en de daarvan afgeleide sabbatsjaren en jubeljaren. Die wijzen de mens er bij uitstek op dat het niet toegestaan is de aarde ongebreideld te exploiteren.

Calvijn wees daar al op in zijn verklaring van Genesis 2:15. Hij noemt de mens de rentmeester van God. God heeft hem de aarde toevertrouwd „onder voorwaarde dat we tevreden zijn met een zuinig en matig gebruik ervan, we moeten ervoor zorgen dat er wat overblijft. Laat hij die beschikt over een akker, de jaarlijkse opbrengst daarvan zodanig gebruiken dat de grond geen schade lijdt door zijn verwaarlozing; maar laat hij zich inspannen om het te overhandigen aan zijn nageslacht zoals hij het ontvangen heeft, of zelfs beter.” Daar is geen woord Spaans bij.