Column: Ontmoeting

„Na de uit de hand gelopen demonstratie op de Dam in Amsterdam vermengden het coronadebat en het racismedebat zich op ingewikkelde wijze. beeld ANP, Sem van der Wal

Enkele weken geleden was er veel te doen rond de speciale coronawet die per 1 juli zou moeten ingaan. Hoewel SGP en D66 op veel terreinen elkaars tegenpolen zijn, vonden ze elkaar in hun huiver voor al te strenge inperking van vrijheden bij de bestrijding van de coronapandemie. Beiden pleitten voor terughoudendheid. De grote kritiek op het conceptvoorstel was vooral dat het kabinet zichzelf verregaande macht toe-eigende, waardoor de democratie onder druk zou komen te staan. Wim Voermans, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit Leiden, sloot zich bij deze kritiek aan: „We gaan terug naar de tijd van koning Willem I, die regels maakte per decreet en ze netjes achteraf naar het parlement stuurde.” Ook in de samenleving begonnen de RIVM-regels soms merkbaar te knellen.

Terwijl de cijfers van de aantallen getroffenen lager werden, begon er een roep naar versoepeling van regels. De maatregelen voelden voor velen als een harnas en riepen bij mensen soms weerstand op. De mens, die nu eenmaal niet geschapen is om alleen te leven, heeft behoefte aan fysieke ontmoetingen: thuis, in de kerk, op het terras of in de concertzaal. De vraag naar meer ruimte voor ontmoeting was duidelijk hoorbaar.

De persconferentie over het leven na 1 juli deed veel mensen dan ook opgelucht ademhalen. We gaan met meer vrijheden de zomer in. Het wordt dus weer mogelijk om écht bij elkaar te zijn. In de vele weken dat we de ontmoeting met mensen noodgedwongen gemist hebben, bleek voor velen dat fysieke ontmoetingen wel degelijk meerwaarde hebben. In de basis ging het hele debat misschien wel daarover: dat we als mensen graag de vrijheid willen ervaren om echt dicht bij de ander te kunnen zijn.

Toen enkele weken geleden het coronadebat in rustiger vaarwater leek te komen, barstte een nieuw debat los. De afschuwelijke dood van George Floyd in Minneapolis werd wereldwijd onder de aandacht gebracht. We kennen de feiten en iedereen is het erover eens: die zijn weerzinwekkend en verschrikkelijk.

Op diverse plaatsen in Nederland werd gedemonstreerd. Na de uit de hand gelopen betoging op de Dam in Amsterdam vermengden het coronadebat en racismedebat zich op ingewikkelde wijze. In het publieke debat stond alles op scherp en werd elke uitspraak op een goudschaaltje gewogen.

Nuanceren of kritische vragen stellen bleek nauwelijks mogelijk zonder daarmee anderen onaangenaam te treffen. Het thema haalt bij velen pijn uit het verleden naar boven. Iedereen is het er in de basis over eens dat racisme niet kan en niet mag. Toch lopen de meningen en ervaringen daarna uiteen. Juist op dit diepgewortelde probleem zou een diepgaander gesprek met anderen helpen. Terwijl we rond zulke gevoelige thema’s onze harten vaak afsluiten om zelf niet te veel geraakt te worden.

Op het vluchtige terrein van sociale media is daar meestal geen ruimte voor en zo sloot ik op sommige dagen mijn twitterpagina met pijn in het hart af. Een reactie op de uitspraak: „Natuurlijk, aan keiharde discriminatie van mensen van kleur doen u en ik vermoedelijk niet...” bleef bij me haken: „Onze grootste zonde is dat we onze zonde niet kennen...”

Een dag later las ik in het RD een interview met drie christelijke Surinamers. Ze vertelden hoe zij in Nederland te maken hebben met racisme. Ze hadden de moed zich diep in het hart te laten kijken, waarbij pijn, trots, moedeloosheid en strijdvaardigheid zich met elkaar vermengden.

In dezelfde tijd voerde ik zelf een aantal gesprekken met mensen waarin me duidelijk werd hoe gemakkelijk je anderen kunt kwetsen, hoe achteraf kan blijken dat je net niet de juiste afwegingen hebt gemaakt, ook al zijn de intenties altijd goed geweest. Dan heb je de ander nodig om je eigen gedrag en woorden te kunnen laten spiegelen. Het werd voor mij heel duidelijk dat het gesprek over dit thema alleen maar kan plaatsvinden in echte, oprechte ontmoeting met de ander. En gelukkig: we mogen elkaar weer ontmoeten! Daarbij kunnen we onszelf alleen maar laten voeden door andere mensen als we onszelf niet boven de ander verheffen - in het besef dat we onze eigen zonden vaak niet kennen.

Naar zulke ontmoetingen kijk ik uit!

De auteur is directeur bij Woord en Daad.