Column (Jan van Klinken): Te berge

„De Statenvertaling was volgens taalkundige Nicoline van der Sijs al ouderwets bij het verschijnen ervan.” beeld Erdee Media Groep

De roemruchte Statenvertaling heeft onze taal sterk beïnvloed, is mij altijd geleerd. Zonder Statenvertaling zou onze taal zijn glans missen. Neem de talloze uitdrukkingen die aan de Schrift zijn ontleend. Filter die weg en het wordt een kale boel. Wij protestanten zijn best trots op de Statenvertaling. Die is toch maar mooi van ons.

Maar helaas, het is een mythe. Dat ontleen ik aan de bespreking van het boek ”Wereldgeschiedenis van Nederland” in dagblad Trouw van afgelopen zaterdag. Daarin gaat taalkundige Nicoline van der Sijs in op de vraag hoe het nu precies zit met die hoofdrol van de Statenvertaling in de wording van onze taal. De Bijbelvertaling was volgens Van der Sijs al ouderwets bij het verschijnen ervan. Wat toen oubollig was, kan in haar redenering nooit vernieuwend zijn geweest. En was Van der Sijs maar een derderangspennenlikker die ook eens boven het maaiveld wilde uitsteken, dan was er enige verzachting. Maar helaas, ze behoort in haar vak tot de top tien, en je moet wel van heel goeden huize komen wil je haar kunnen weerspreken.

Vooruit, de Statenvertaling als taalkundige grondlegger wil ik eventueel nog wel weggeven. De Bijbel is bovenal een geestelijk boek. Maar in ”Wereldgeschiedenis van Nederland” vliegt er nog meer laag over. Historicus Peter van Dam durft de boude stelling aan dat ons land helemaal niet zo gestempeld is door het calvinisme als altijd is beweerd. Deze mythe is volgens hem in het leven geroepen door historici in de negentiende eeuw die zelf van protestanten huize waren. Ons land, zo luidt hun verhaal, is geboren uit de opstand tegen het dictatoriale Spanje, waarop we de vrijheid hebben bevochten.

Van Dam kan er niet omheen dat er in Nederland altijd een flinke groep mensen met een protestantse achtergrond is geweest. Een stukje van het verhaal klopt dus. „Maar het beeld is vertekend, er zijn ook altijd veel Nederlandse katholieken geweest, alleen waren zij tweederangsburgers.” Volgens hem is het beeld geschapen alsof Nederlanders vroeger diep vanbinnen allemaal theologen en dominees zouden zijn geweest. „Dat die indruk kon ontstaan, heeft ermee te maken dat historici heel lang te veel naar de kerkelijke elite hebben gekeken. En de bovenlaag, die debatteerde over theologie. Tegenwoordig hebben we als geschiedschrijvers meer oog voor het verhaal van het gewone volk. Blijkt dan dat Nederlanders een uitzonderlijke geloofsijver aan de dag legden? Welnee, een groot deel ging gewoon naar een bepaalde kerk omdat vader zei: hier gaan wij heen.”

Met Job rezen de haren me „te berge.” Dit moet weersproken worden. Dat hoop ik een volgende keer dan ook te doen.