Column: Een ”thermometer van de ziel”

beeld iStock

Niet vergeten de smartphone mee te nemen bij een pastoraal bezoek. Die tip zou je met enige fantasie kunnen ontlenen aan een artikel in De Ingenieur van februari jongstleden. Jim Heirbaut schrijft daarin over uitkomsten van onderzoek in de psychiatrie over de mogelijkheid om iemands psychische gesteldheid af te leiden uit zijn of haar manier van ”swipen”, typen en bewegen van de smartphone. Dat gedrag kan door de smartphone zonder problemen worden opgeslagen, net zoals er allerlei onderzoeken naar computergebruik gedaan worden door alle type- en muisbewegingen door het apparaat te laten registreren.

Omdat de gemiddelde homo smartphonicus (ik ontleen de term even aan www.rodersana.nl, een site over allerlei vormen van verslaving) het apparaat amper twee minuten met rust kan laten, geeft het swipe- en typegedrag een representatief beeld van de dag. Maar zelfs voor mensen als ik, wie het regelmatig overkomt dat ze een smartphone uit de zak halen waarvan de batterij na geruime tijd geen gebruik alweer leeg blijkt te zijn, zou het informatief kunnen zijn. De smartphone als ”thermometer van de ziel”.

Er is al een mooie term voor dit soort onderzoek: ”digital phenotyping”. Ook spraak en stemgeluid kunnen hierbij worden betrokken. Er is natuurlijk wel een privacy-dingetje verbonden aan dit soort onderzoek, maar dat geldt voor wel meer medische situaties. Een van de grondleggers van digital phenotyping, Thomas Insel, vergelijkt de smartphone met een rookmelder: die wilde je misschien eerst niet, maar als je huis-zonder-rookmelder afgebrand is, ga je daar wel anders over denken. Zo ook de psychiatrische patiënt zonder deze app, die onverwacht door een terugval in een depressie of schizofrenie overvallen wordt. Dat wil je niet nog eens meemaken als het niet hoeft.

Natuurlijk valt er van alles af te dingen op deze metingen. Het komt mij voor dat de relatie tussen mijn gemoedstoestand en mijn swipe- en typegedrag niet zo één-op-één is als zou moeten, om veel te kunnen zeggen over mijn zielsgesteldheid. Toch zullen de resultaten van het onderzoek ook niet uit de lucht gegrepen zijn. Enerzijds is de mens te complex om in een paar eenvoudige waarnemingen te vangen, anderzijds vertonen mensen toch regelmaat in hun denken en handelen. Van die regelmaat moet de wetenschap van de psychologie het hebben.

Nu komt mijn associatie van de smartphone als thermometer van de ziel met pastoraat in het artikel niet voor. Toch kan ik me niet losmaken van de gedachte dat die toepassing best interessant zou kunnen zijn. Alleen al de hoeveelheid tijd die ik aan de smartphone besteed, kan een indicatie zijn van mijn geestelijke gesteldheid. Natuurlijk kan de smartphone een hulpmiddel bij het Bijbellezen zijn, dankzij allerlei Bijbelapps. Maar als het apparaat registreert dat ik hem gedurende de dag hooguit vijf minuten laat liggen, zegt dat zeer waarschijnlijk iets over de lengte van mijn langste gebed die dag. Dat zou op zijn beurt wel eens een indicatie kunnen zijn van de ‘temperatuur’ van mijn geloof.

De smartphone kan natuurlijk ook moeiteloos registeren wat er allemaal op mijn scherm gestaan heeft. Dat zit niet standaard in het digital-phenotyping-onderzoek, maar het zou er zo maar aan toegevoegd kunnen worden. Zou u of jij dat gegevensbestand altijd aan iemand anders durven geven? Wie mag uw thermometer van de ziel aflezen?

Er is er Eén Die altijd toegang heeft tot dat bestand. Hij is ook Degene die ons verantwoording vraagt van de manier waarop wij onze tijd besteden en van de toestand waarin ons gemoed verkeert. Registreert de smartphone een groot deel van de dag ergernisgedrag? Leg het de Heere voor en vraag of Hij liefde en geduld in uw ziel wil werken. De Heere heeft Zijn eigen thermometer van de ziel, de Heilige Geest. Die ‘meet’ nog veel beter dan het beste digital-phenotyping-programma. Het kan wel zijn dat Hij u uw smartphonegebruik voorhoudt als een maat voor uw geestelijk leven. U kunt uw gebruikersgedrag ook wel zonder digital-phenotyping-programma monitoren. Die tip nemen we dan toch maar mee uit het artikel in De Ingenieur.

De auteur is hoogleraar christelijke filosofie aan de Technische Universiteit Delft.