Column: ”De welvaart van landen” en Gods goede zorg

God heeft volgens Adam Smith ook weet van de morele zwakte van mensen. Foto: briefje van twintig Engelse pond, met een afbeelding van Smith.  beeld iStock.

Deze week verschijnt de eerste Nederlandse vertaling van het bekende boek van Adam Smith uit 1776, ”The Wealth of Nations”. Woensdag vindt de presentatie plaats in het Rotterdamse debatcentrum Arminius. De avond wordt luister bijgezet door een debat over de actualiteit van het boek tussen Joris Luyendijk en Syp Wynia, voorafgegaan door een interview met mijzelf over dit standaardwerk in de economische wetenschap.

Een van de ideeën van Smith in dit boek die het meest bekend geworden zijn, betreft de zogenaamde ”onzichtbare hand”. Daarmee drukt Smith uit dat, wanneer mensen in de economie door eigenbelang worden gedreven, de uitkomst voor de samenleving als geheel toch positief is. Waar wij misschien zouden verwachten dat het nastreven van het eigenbelang tot conflicten en chaos leidt, gebeurt het tegendeel. Volgens Smith werkt het eigenbelang van de op winst beluste ondernemer in de meeste gevallen positief uit voor de welvaart van allen, als door een onzichtbare hand.

Dit idee sluit aan bij Smith’s theologie. Aansluitend bij de Schotse verlichting van zijn tijd, hanteert Smith een natuurlijke theologie, waarin de voorzienigheid van God centraal staat. God is Schepper van de wereld en de geschiedenis van de mensheid staat in het teken van de heilige bedoeling die God daarmee had. Voor het menselijk leven is dat volgens Smith het menselijk geluk. God is vastberaden om te allen tijde de grootste hoeveelheid geluk te handhaven, zo stelt Smith. Daarom heeft hij de mens en de menselijke samenleving zo geschapen, dat het eigenbelang meewerkt aan dit doel.

Maar moeten wij dan inderdaad het eigenbelang maar ruim baan geven, in de lijn van Smith? Zo hebben economen Adam Smith wel vaak gelezen, maar dat blijkt toch te kort door de bocht. Smith is namelijk tegelijk ook heel kritisch over het streven naar eigenbelang door ondernemers, bijvoorbeeld als dat hen ertoe aanzet om te proberen een monopoliepositie te verwerven om hun winsten nog verder te laten groeien. Daarmee ondergraven zij de concurrentie en stijgen de prijzen, ten koste van de welvaart van de gewone consumenten. Adam Smith meende dat voor het realiseren van het geluk van mensen meer nodig is dan enkel eigenbelang, namelijk dat mensen ook deugdzaam zijn. Sterker nog, ook dat is volgens Smith het werk van God, want door de deugden die Hij in de menselijke inborst schiep, wordt het menselijk geluk eveneens bevorderd.

Maar God heeft volgens Smith ook weet van de morele zwakte van mensen. Daarom ondervangt God dit gebrek aan deugden en keert Hij het, door er zorg voor te dragen dat ook het eigenbelang dienstbaar wordt gesteld aan de medemens. Linksom of rechtsom realiseert Hij zo Zijn plan om het geluk van mensen te bevorderen, is het niet via de deugden, dan wel via het eigenbelang en de markt. Ook ondernemers die wars zijn van deugden en wellicht grensoverschrijdend gedrag vertonen, of bedrijven die op allerhande wijzen hun klanten geld weten af te troggelen of de belasting door allerlei trucs weten te omzeilen, passen in het plan van God.

Alhoewel, niet helemaal. Er zijn situaties waarin volgens Smith het kwaad om vergelding vraagt, terwijl die vergelding in dit leven uitblijft. Ook voor Smith blijft er de noodzaak van de hoop op een toekomstig leven waarin recht zal worden gedaan. Want, zo stelt hij, „wanneer wij daarom wanhopen bij het vinden van een kracht op aarde die de triomf van het kwaad kan inperken, doen wij doorgaans een appel op de hemel, en hopen wij dat de grote auteur van onze natuur daar zelf in het hiernamaals zorg voor zal dragen (...), dat hij het plan zal vervolmaken waarvan hij ons opdraagt om er nu al mee te beginnen.”

De auteur is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan Tilburg University. Reageren? rubriekforum@refdag.nl