Bart Jan Spruyt: Blijf oudvaders in ere houden

„We hebben mensen als Cor Bregman en Jasper Stam nodig om de rijkdommen van onze reformatorische traditie voor onszelf en onze kinderen te ontsluiten.” beeld RD, Sjaak Verboom

Lange tijd werden de zogeheten oudvaders hier en daar in diskrediet gebracht, en misschien wordt dat door sommigen nog steeds gedaan. Maar we moeten hen in ere houden, omdat ze inzichten hebben verwoord die we ergens anders niet zo gauw aantreffen.

Mijn lieve kinderen op de Guido de Brès mocht ik graag de vraag voorleggen of zij mij het verschil konden uitleggen tussen aartsvaders, kerkvaders en oudvaders. Het antwoord, als dat al kwam, viel vaak niet mee.

Wat aartsvaders waren, dat lukte na enig aandringen nog wel: ah ja, dat waren Abraham, Izaäk en Jakob. Kerkvaders waren al moeilijker, maar de naam Augustinus liet dan in een enkel geval toch een belletje rinkelen. Maar hoe legde je uit wat een oudvader was?

Het helpt niet om over de zeventiende en de achttiende eeuw te beginnen, want dat is héél lang geleden. Namen noemen helpt al evenmin: Smijtegelt is net zo onbekend als À Brakel of Van der Groe. Vergeten, niet meer in ere, afwezig in het collectieve geheugen van de komende generatie.

Dat komt natuurlijk omdat míjn generatie die namen niet heeft overgedragen, realiseer ik me. Ik heb erover nagedacht hoe dat komt, en ik denk dat een belangrijke rol heeft gespeeld dat wij met een zeker wantrouwen jegens de oude schrijvers zijn grootgebracht. Wij, dat wil zeggen: degenen die een beetje de theologische en kerkhistorische discussie volgden.

Daarin stond lange tijd de vraag centraal hoe we onze eigen traditie moesten waarderen. Was die traditie één onafgebroken keten van Luther en Calvijn tot ds. Boer en ds. Kersten geweest, of waren er breuken en misstappen in die traditie aan te wijzen en moesten we die hele keten kritisch evalueren?

Favoriete tekst

Er waren kerkhistorici die Calvijn als norm namen en stelden dat de latere gereformeerde theologen van zijn lijn waren afgeweken. Anderen zeiden dat de eerste generaties Nederlandse theologen (de mannen van Dordt, de Teellincks) nog wel gingen, maar dat het daarna was fout gegaan, met Smijtegelt en zo, en zeker in de achttiende eeuw, met mannen als Schortinghuis en Verschuir. En er waren degenen die de hele traditie voor hun rekening namen, of misschien zelfs bij Comrie begonnen, en via Comrie bij Kersten uitkwamen.

Het was dus een theologische discussie die met kerkhistorische middelen werd gevoerd. Hoe rechts je was, werd bepaald door de lengte van de door jou geaccepteerde traditie. Hoe korter, hoe linkser, zogezegd.

Alhoewel ik de critici niet geloofde, heeft de discussie mij toch ook beïnvloed, realiseer ik mij meer en meer. Ik las Luther en Kohlbrugge, verdiepte mij in het Reveil en een enkele nakomeling daarvan. Daar haalde ik mijn geestelijk voedsel. Ik lees al 35 jaar hetzelfde dagboek van Kohlbrugge, jaar in, jaar uit. Het verveelt me nog steeds niet. Maar misschien is het toch niet goed, zo’n eenzijdige oriëntatie.

Momenteel leg ik de laatste hand aan de samenstelling van een boek (”Goud in handen”) waarin zo’n 35 mensen uit de breedte van de gereformeerde gezindte hun favoriete tekst uit onze traditie toelichten. En dan komen er (naast gedichten van De Mérode en Gezelle en teksten van Augustinus, W. Aalders en O. Noordmans) heel wat oude schrijvers voorbij: Nederlandse, Engelse en Schotse. Van Edward Fisher tot Erskine en Comrie, van Smijtegelt tot À Brakel, Immens en Van der Groe, van Van Lodenstein tot Newton. Ik ben door die teksten heen gekropen en ze hebben me geraakt. Ik heb er nu eigenlijk spijt van dat ik deze mannen niet wat systematischer ben blijven lezen.

Gotisch schrift

Waar zat die theologische discussie waaraan ik zojuist refereerde nu ten diepste op vast? Ik denk dat het uiteindelijk ging over het zondaar-zijn voor God, de dualiteit van tijd en eeuwigheid, dat er een wonder aan een mens moet gebeuren.

En waar is de aard van dat wonder indringender verwoord dan in de Dordtse Leerregels (III-IV/11)? Daar wordt gezegd dat God bij de ware bekering ons niet alleen het Evangelie doet verkondigen, maar ook in de binnenste delen van de mens met de krachtige werking van de wederbarende Geest doordringt, en het hart dat gesloten was opent, vermurwt wat hard was en besnijdt wat onbesneden was, de wil levend maakt en gehoorzaam maakt wie wederspannig was. Die belijdenis verbindt en scheidt.

Het werk van de oude schrijvers cirkelt rond dit grote, verborgen thema, dit geheimenis van het nieuwe leven. En daarom denk ik dat we hen, waar nodig, weer moeten rehabiliteren en aan een dreigende vergetelheid ontrukken.

Dat gaat echter niet zomaar, besef ik. Zelf lees ik op dit moment de preken van Joos van Laren, in de oude druk (dankzij de voorbeeldig uitgegeven facsimile van De Schatkamer uit Rumpt). Dat gotische schrift dwingt je om langzaam en geconcentreerd te lezen, een preek per avond.

Hertalingen

Maar dat kun je van onze kinderen niet meer vragen. Een traditie doorgeven, betekent ook die traditie toegankelijk maken. En dat impliceert dat we teksten soms moeten bevrijden uit het taalkleed dat ze in een voltooid en voorgoed voorbij verleden plaatst. We hebben dus mensen als Cor Bregman en Jasper Stam nodig om de rijkdommen van onze reformatorische traditie voor onszelf en onze kinderen te ontsluiten. Hertalingen kunnen de teloorgang voorkomen van teksten waarin met fijnzinnige vroomheid dingen worden gezegd die we elders zo gauw niet tegenkomen.