„Relationeel jongerenwerk is meer dan chips en cola”

Secularisatie, kerkverlating en een nieuwe kerk
Foto ANP

ZWOLLE – Jongeren hebben vaak niets aan een jeugdouderling of jongerenwerker in de kerk. Toch is relationeel jongerenwerk niet het ei van Columbus, vindt onderzoeker Hayo Wijma. „Relationeel jongerenwerk betekent niet dat de jeugdleider cola en chips meeneemt en verder niet spreekt over dingen die voor jongeren relevant zijn.”

In de Gereformeerde Hogeschool (GH) in Zwolle had woensdagavond de presentatie plaats van het onderzoek ”Jong, [goed] gelovig & kerk. De rol van het kerkelijk leven in de belevingswereld van jongeren”. Dat is uitgevoerd door Wijma, docent gemeenteopbouw en adviseur bij de GH, en Jeannette Slendebroek-Meints. Zij is kwantitatief onderzoeker bij het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken en GH-docent onderzoeksmethodologie.

Aanleiding voor het onderzoek is onder meer de vraag vanuit gemeenten hoe ze jongeren bij de kerk kunnen houden. „Vorig jaar verlieten 800 doopleden de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Dat was voor mij een belangrijke reden om dit onderzoek te beginnen”, aldus Slendebroek.

Aan het onderzoek van de Academie Theologie van de GH deden 116 kerkelijke gemeenten en 439 jongeren tussen 14 en 30 jaar mee, voornamelijk afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV), de Gereformeerde Gemeenten (GG), de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) en de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

Wijma en Slendebroek onderzochten onder meer of er een verband bestaat tussen kerkverlating en de deelname aan catechisatie en jeugdvereniging. Zij vroegen jongeren wat zij van de sfeer vinden, van de inhoud, van de relatie met andere jongeren en met de leiding. „Het valt op dat jongeren met een reformatorische achtergrond vaker naar catechisatie gaan dan gereformeerde jongeren, die eerder een jeugdvereniging bezoeken. Iemand die catechisatie en jeugdvereniging lager waardeert, heeft grote kans een kerkverlater te worden.”

Uit het onderzoek blijkt verder dat gemiddeld 50 procent van de jongeren meestal twee keer per zondag naar de kerk gaat. Een kwart gaat meestal één keer; 10 procent gaat onregelmatig en komt of kwam eigenlijk nooit in de kerk. Ook hier signaleren de onderzoekers verschillen tussen gereformeerde en reformatorische jongeren. „Gereformeerde jongeren zijn negatiever over de kerkdienst. Uit ander onderzoek blijkt dat reformatorische jongeren meer waarde hechten aan traditie en daar hoort twee keer naar de kerk gaan bij.”

De onderzoekers hielden ook interviews met kerkverlaters. Die hadden vaak onvoldoende „helpende relaties” binnen de kerk. Veel jongeren zeggen niets te hebben gehad aan een jeugdouderling of jongerenwerker. Voor bijna alle jongeren geldt dat een jeugdwerker hen niet kan helpen bij vragen en problemen. „De gemiddelde houdbaarheidsdatum van een kerkelijk jongerenwerker is anderhalf, twee jaar”, zegt Wijma. „Als je iets aan hem wilt hebben, haal de jongerenwerker dan uit alle beleidsmatige processen en laat hem van betekenis zijn voor jongeren.”

Een goede relatie is van belang, maar ook een voorwaarde om over de inhoud te spreken. „Om met ‘majoor’ Bosshardt te spreken: „Als Jan met Piet over God wil praten, dan moet hij God kennen én Piet. En ik zou daaraan toe willen voegen: hij moet ook zichzelf kennen.”