Nederlandse kerken hielpen ontredderd Hongarije na Eerste Wereldoorlog

Hongaarse kinderen vertrekken met de kindertrein naar Nederland vanaf het Ooststation te Boedapest. beeld BTM-Kiscelli Múzeum)
2

Een failliet en verarmd Hongarije leidde direct na de Eerste Wereldoorlog tot uitgebreide hulpacties vanuit Nederland. Een internationaal congres over de zogeheten ”kindertreinen”, donderdag en vrijdag in Kampen, zet alles in een breed perspectief.

Honderd jaar geleden, op 8 februari 1920, vertrok de eerste kindertrein uit Boedapest naar Nederland. De trein bracht zeshonderd Hongaarse kinderen, in het kader van een internationale humanitaire actie. Later volgden ook transporten naar Zwitserland, Engeland, Zweden en België.

Met deze kindertreinen reisden tussen 1920 en 1930 meer dan 60.000 verzwakte Hongaarse kinderen voor enkele maanden naar het buitenland. Daar zouden ze kunnen aansterken na de beproevingen die ze in de Eerste Wereldoorlog en tijdens de daaropvolgende revoluties in Hongarije hadden meegemaakt. Nederland spande in Europa de kroon met de opvang van ruim 28.000 kinderen.

Samenwerking

Op de tweedaagse internationale conferentie ”De kindertreinen en verder. Culturele, religieuze en politieke betrekkingen tussen Hongarije en de Lage Landen in het interbellum” vindt de presentatie plaats van het boek ”De Hongaarse kindertreinen. Een levende brug tussen Hongarije, Nederland en België na de Eerste Wereldoorlog” (uitg. Verloren, Utrecht), onder de redactie van dr. Maarten J. Aalders, dr. Gábor Pusztai en dr. Orsolya Réthelyi.

Dr. Réthelyi noemt desgevraagd het boek de eerste stap naar verder onderzoek. „Het is voor de eerste keer dat een dermate breed internationaal gezelschap zoveel aspecten van de kindertreinen heeft onderzocht. We zijn van mening dat dit onderzoek alleen kan geschieden op basis van internationale samenwerking.”

De conferentie in Kampen is georganiseerd door The Neo-Calvinism Research Institute van de Theologische Universiteit Kampen en de vakgroep neerlandistiek van de Eötvös Loránd Universiteit (ELTE) in Boedapest, in samenwerking met de ambassade van Hongarije in Nederland. Ze maakt deel uit van een groter project van de internationale onderzoeksgroep migratie, cultuur en identiteit, opgericht rond het thema van de Hongaarse, Nederlandse en Belgische kindertreinen en migratie.

Dochters van Kuyper

In Hongarije werd de hulp geregeld door de Hongaarse Landsliga voor Kinderbescherming, een particuliere organisatie die na de Eerste Wereldoorlog nauw samenwerkte met de overheid en met de kerken. In Nederland ging het om een particulier initiatief van twee comités: het neutrale ”Centraal Comité voor noodlijdende Hongaarsche Kinderen” en het ”Nederlandsch Rooms-Katholieke Huisvestings-Comité te ’s Hertogenbosch”.

Opvallend was de hulp die drie dochters van de Nederlandse theoloog en staatsman Abraham Kuyper in Hongarije zelf organiseerden. Jo Kuyper (1875-1948) was betrokken bij de hulp aan kinderen, Henriëtte Kuyper (1870-1933) bij voedseltransporten en het stichten van een weeshuis en Katalin Kuyper (1876-1955) bij de kindergaarkeukens en de oprichting van een school.

Kerkhistoricus dr. Maarten Aalders, als onderzoeker verbonden aan het Neo-Calvinism Research Institute in Kampen, zegt dat de rooms-katholieke en protestantse organisaties in Nederland hun eigen afzetgebied hadden. „De katholieken waren bang dat hun kinderen in protestantse gezinnen terecht zouden komen en daarom klaar waren voor het eeuwige hellevuur. Ze waren er snel bij om hun eigen organisatie op te richten. Al was er in Nederland geen overleg tussen de confessionele organisaties, men hinderde elkaar niet in de hulpverlening. De hulp was allemaal keurig verdeeld volgens de zuilen in Nederland.”

Het gevolg van de actie met de kindertreinen was dat tussen Hongarije enerzijds en Nederland en België anderzijds sterke persoonlijke, culturele, economische en politieke contacten ontstonden.

Er zijn al ruim honderd aanmeldingen binnen voor de conferentie in Kampen. Dr. Aalders is er enthousiast over: „Interessant is dat er verschillende Hongaarse nazaten bij zitten. Hun wortels liggen in de ongeveer tweeduizend à drieduizend Hongaarse kinderen die in Nederland zijn achtergebleven, zonder hun ouders. Wij hebben ons dus ook gericht op een publiek dat een directe en levende band met het onderwerp heeft.”