H.P. Scholte, een buitenbeentje tijdens de Afscheiding

Bloemgracht Amsterdam. beeld Wikimedia
3

Ds. H. P. Scholte (1805-1868) was een buitenbeentje onder de afgescheiden predikanten. Hij streed voor een vrije kerk in een vrije staat. Een independentist misschien, maar geen labadist die een gemeente van louter gelovigen wilde stichten. Wel ging hij voor een herkenbare gemeente van belijdende leden.

In augustus is het 150 jaar geleden dat Scholte overleed. Mede naar aanleiding daarvan wordt er van 16 tot 18 augustus in het Amerikaanse stadje Pella een conferentie over hem en zijn leven gehouden. Wie was deze markante man en hoe verging het hem in Amerika?

Hendrik Peter Scholte werd op 25 september 1805 in Amsterdam geboren. Evenals Kohlbrugge was hij oorspronkelijk lid van de lutherse gemeente. Via de Bijbellezingen van Isaäc da Costa kwam Scholte al snel onder invloed van het Amsterdamse Reveil. Tijdens zijn studie theologie in Leiden kreeg hij nauwe betrekkingen met gelijkgestemde studenten: Simon van Velzen, Anthony Brummelkamp, Albertus Christiaan van Raalte en George Frans Gezelle Meerburg. Deze groep werd de ”club van Scholte” genoemd, kennelijk omdat hij de onbetwiste leider was. Alle vier werden ze ”vaders van de Afscheiding”.

Na zijn studie werd Scholte in maart 1833 hervormd predikant in de Brabantse dorpen Doeveren en Genderen. De nieuwe predikant gold al spoedig als een fenomeen. Hij trok veel hoorders uit de wijde omgeving. Radicaal als hij was, ontzag hij zich niet om zijn ringbroeders Baälpriesters en leugenprofeten te noemen. Hij weigerde kerkelijke wetten en regels te accepteren die hij niet in de Bijbel terug kon vinden. Toen De Cock in Ulrum problemen kreeg met de kerkbesturen in Groningen en geschorst werd, reisde Scholte naar het noorden om hem te bemoedigen. Hij ging in 1834 zelfs in Ulrum voor, zonder toestemming van de consulent. Het leidde tot schorsing van hem als predikant op 29 oktober 1834.

De kerkenraad van Doeveren hadden binnen drie dagen zijn antwoord gereed: een akte van afscheiding, soortgelijk aan die van Ulrum, die op 13 oktober 1834 was opgesteld. Toen Scholte in Appingedam in voorarrest zat wegens zijn „revolutionaire” gedrag, werd hij op 10 december 1834 uit zijn ambt als predikant gezet.

Scholte ging met de Afscheiding mee. Hij was niet de man om uitgebreid te discussiëren over de kwestie van gezangen en belijdenis maar nam al snel het besluit om zich buiten de Nederlandse Hervormde Kerk te plaatsen. In de literatuur wordt druk de vraag besproken of Scholte invloed geeft gehad op de akte van afscheiding en wederkeer in Ulrum, mede vanwege zijn vierdaagse verblijf aldaar. Aannemelijk is echter dat de Afscheiding in Ulrum ook zonder toedoen van Scholte plaatsgevonden zou hebben.

Bekend was wel dat Scholte onder invloed stond van het Zwitsers Reveil, waar na een periode van vervolging een vrije, afgescheiden kerk tot stand was gekomen. Scholte liep al langer rond met het plan om, naar het voorbeeld van de Erskines in Schotland, te breken met de vaderlandse kerk.

Periode Amsterdam

Scholte kreeg vooral bekendheid door zijn optreden in Amsterdam, zo is te lezen in de vorig jaar verschenen dissertatie ”Op ongebaande wegen” van de vrijgemaakt gereformeerde predikant J. H. Soepenberg. Had Scholte wellicht geen invloed op de Afscheiding in Ulrum, zijn rol in Amsterdam moet niet onderschat worden. Hij leverde de theologische legitimatie om te breken met de hervormde gemeente, aldus Soepenberg.

De Afscheiding in Amsterdam ontstond toen verontrusten over het liberale karakter van de Hervormde Kerk contact zochten met de afgezette predikanten De Cock en Scholte. De Cock had de ”broeders” in Amsterdam bezocht en Scholte was een geboren Amsterdammer. In het najaar van 1835 zegden dertien leden van de hervormde gemeente van de hoofdstad hun lidmaatschap op. Op 14 oktober 1835 institueerde Scholte de Afgescheiden Gemeente van Amsterdam, die in enkele jaren een stormachtige groei doormaakte van enkele tientallen leden tot ruim 800 in de beginjaren van 1840, waarmee ze behoorde tot de grootste afgescheiden gemeenten van Nederland.

Tegen conventikels

Aanvankelijk was de afgescheiden gemeente geworteld in de conventikelspiritualiteit, geleid door oefenaars, maar spoedig traden leden toe die zich sterker verwant voelden met de Reveilspiritualiteit. Zij grepen terug naar de late fase van de Nadere Reformatie, de Reformatie zelf en de gereformeerde belijdenisgeschriften van de zestiende eeuw. J. A. Wormser was hun bekwame woordvoerder, die vooral redeneerde vanuit de doop en Gods genadeverbond.

Scholte bestreed, naast A. M. C. van Hall en Wormser, in het blad De Reformatie de conventikelmentaliteit. Zij hekelden een verkeerd beroep op de oude schrijvers, gebrek aan geloof in het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus door het verheerlijken van twijfel en onzekerheid, onvoldoende oog voor de reformatie van de levenspraktijk en een onjuist gebruik van de Bijbel.

Volgens Scholte beriepen veel afgescheidenen zich op de leer van de menselijke onmacht, als excuus om niet op Gods verbondsbeloften te vertrouwen. Hij vergeleek het geloof van deze afgescheidenen met het geloof van de duivelen, die ook wel geloven dat God bestaat. Scholte riep hierdoor felle weerstand op in conventikelkringen en werd gekwalificeerd als letterknecht, remonstrant, labadist en volmaaktheidsdrijver.

Scholte hoopte in zijn strijd om de reformatie van de kerk tevergeefs op steun van de Amsterdamse Reveilvrienden. Zij vonden het optreden van de jonge predikant echter onbesuisd en wezen separatisme ten stelligste af. De Reveilkring had bezwaar tegen het reactionaire karakter van de Afscheiding, het gebruikmaken van oude preken. De kerk had in confrontatie met de moderne theologie juist behoefte aan een nieuw belijden, in plaats van alleen terug te vallen op vroegere confessies. Een formele handhaving van belijdenisgeschriften kon geen rechtzinnigheid van de kerk garanderen, zoals de geschiedenis van de Hervormde Kerk bewees.

Scholtes pleidooi voor afscheiding ontmoette verzet van orthodoxe predikanten zoals B. Moorrees die stelden dat het verval in de Hervormde Kerk niet te vergelijken viel met de misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk ten tijde van de Reformatie. Moorrees hekelde het feit dat Scholte overal gemeenten stichtte, terwijl geen enkele predikant in de Hervormde Kerk verhinderd werd om gereformeerd te prediken. De Afscheiding had de gereformeerde belijders verstrooid. Van zijn kant achtte Scholte de pogingen van Moorrees om het verval in de Hervormde Kerk te stuiten kansloos, en dus handhaafde hij zijn oproep tot afscheiding. „Krijgsknechten van Jezus Christus! verzamelt u onder de banier van het kruis, sluit u digt ineen tegenover de veelvuldige vijanden van het Godsrijk.”

Van Velzen

Van Velzen werd in 1839 de eerste afgescheiden predikant in de hoofdstad. Hij was geen voorstander van een ruime heilsbediening, zo concludeert Soepenberg. Toen Scholte kritiek uitte op Van Velzens prediking, die „de levende Christus” zou missen, was de teerling geworpen. Omdat kerkenraadsleden, onder wie Wormser, deze kwalificatie niet als laster wilden verwerpen, werden zij in 1840 geschorst. Kort daarop volgde de schorsing van Scholte. Wormser keerde weer terug naar de Hervormde Kerk en maakte zich sindsdien sterk voor herstel binnen deze kerk. „Wat geen eenheid in spiritualiteit was geweest, spatte weer uit elkaar”, zo typeert Soepenberg het conflict tussen Scholte en Van Velzen.

Er kwamen gaandeweg in de geschiedenis van de jonge Afscheiding theologische verschillen bovendrijven. Scholte stelde in de preambule van de Utrechtse Kerkorde (1837) van de afgescheiden kerken dat allen die belijdenis van het geloof afleggen en dienovereenkomstig wandelen, als lidmaten van de gemeente van Christus erkend moesten worden. Hij wilde dus een kerk van belijdende gelovigen met hun kinderen.

H. de Cock en anderen vonden dat Scholte geen oog had voor Gods genadeverbond waartoe alle leden van de zichtbare kerk behoorden. De Cock zag in de opvatting van Scholte de invloed van De Labadie, die meende dat de belofte van God zich alleen uitstrekt tot het kroost van gelovige ouders.

In de kerkhistorische literatuur wordt daarom nogal eens gesuggereerd dat ds. Scholte de kerk labadistisch zag als een gemeente van wedergeborenen. Dat is niet juist, betoogt Soepenberg. Wel drong Scholte volgens hem aan op een publieke instemming met de belijdenis van de kerk. Een zichtbaar christelijke levenswandel was voorwaarde voor toelating. Een potentieel lid werd bevraagd op de ware leer der zaligheid, over zonde en bekering, een onderzoek voorafgaand aan de viering van het avondmaal. Bij een positieve uitkomst kon dit sacrament direct meegevierd worden.

De Cock had volgens Soepenberg wel meer dan Scholte oog voor gemeenteleden die geen vrijmoedigheid hadden om geloofsbelijdenis af te leggen. Scholte stelde verder dat verbond en verkiezing samenvielen, in de zin dat volgens hem alleen de door de Geest wedergeborenen overgaan in het verbond. Deze engere visie op het verbond zette zich door in latere tradities van de Afscheiding in de twintigste eeuw.

Scholte wist evenals Van Velzen dat de gemeente ook uit onbekeerden en hypocrieten bestond. De Labadie neigde veel meer naar een dopers standpunt. Scholte keerde zich echter ook tegen iemand als Jan de Liefde, die zomaar gemeenten stichtte los van de bestaande kerken. En dan verdedigde hij tegenover hem sterk de kinderdoop, zoals hij ook de gereformeerde visie op het verbond voorstond.

Vrije kerk

Scholte was een predikant die pleitte voor een vrije kerk zonder overheidsinmenging. Hij was de eerste predikant die bereid was om afstand te doen van de naam ”gereformeerd” en kreeg in 1839 overheidserkenning voor zijn Christelijk Afgescheiden Gemeente. Dit kwam hem op veel kritiek te staan van de andere afgescheidenen. In tegenstelling tot een groot deel van zijn ambtsbroeders streefde Scholte namelijk niet zozeer naar herstel van de oude gereformeerde kerk met de Dordtse Kerkorde, maar naar een van de staat onafhankelijke, zuivere kerk.

Scholte leverde teksten aan van belangrijke petities aan het adres van de overheid „die nog altijd monumentale pleidooien zijn voor godsdienstvrijheid”, aldus Soepenberg. Terwijl Scholte overtuigd het principe van de noodzaak van de Afscheiding huldigde, hekelde hij in toenemende mate het exclusivisme van de kerken van de Afscheiding, de pretentie om de enige ware zichtbare kerk van Christus te zijn. De gereformeerde vaderen hadden volgens hem zulke taal nooit gebezigd. Hij was met andere woorden ook weer te ruim om zich werkelijk in de Afscheiding thuis te voelen, laat staan om alles organisatorisch op te bouwen.

Soepenberg nuanceert terecht de beeldvorming rond Scholte, die toch gereformeerder was dan gedacht. Juist vanuit zijn verworteling in de gereformeerde geloofsleer kritiseerde hij de conventikelachtige vroomheid in de Afscheiding. Zijn Reveilinvloed heeft hij altijd met zich meegedragen. Scholte bleef een onmiskenbaar buitenbeentje dat zich liet voeden door verschillende vroomheidstradities. Hij zag uiteindelijk maar één uitweg: weg uit het versplinterde en onvrije Nederland naar het vrije Amerika.

Dit is het eerste deel van een tweeluik over ds. H. P. Scholte. Op 5 juli: ds. Scholte in Amerika.