Wopke Hoekstra: Op sommige vragen krijgt een mens geen antwoord

CDA-minister Wopke Hoekstra van Financiën. beeld ANP, Bart Maat

De schatkist bewaken is zijn grootste taak. Toch gaan de speeches van minister Wopke Hoekstra niet alleen over de centen, maar evenzeer over goed burgerschap en Europa. Her en der wordt hij al gezien als de opvolger van Mark Rutte. Máár: „Je hebt vaak geen invloed op de kaarten die je in het leven krijgt toebedeeld.”

„Het wordt een beetje filosofisch zo, mannen”, zegt Hoekstra bijna vaderlijk in zijn werkkamer op het ministerie van Financiën. Het interview is zo’n twintig minuten gaande en tal van vakinhoudelijke onderwerpen zijn al de revue gepasseerd. Dan opeens dienen ze zich aan, de grote vragen. Wat geeft sturing aan het leven? Hoe incasseer je tegenslagen, hoe ga je om met onzekerheid?

De minister, tot dan toe razendsnel denkend en trefzeker formulerend, valt even stil en citeert dan uit de inaugurele rede van John F. Kennedy uit 1961: „Here on earth God’s work must truly be our own.” Vrij vertaald: hier op aarde moet het werk van God ook ons werk zijn. „Volgens mij parafraseerde Kennedy toen een gedeelte uit het Bijbelboek Jesaja”, zegt Hoekstra. „Maar hoe dan ook; die uitspraak, daar zit in elk geval veel in.”

Hoekstra’s reputatie was hem al vooruitgesneld toen hij op 26 oktober 2017 werd beëdigd als minister van Financiën in het kabinet-Rutte III. Als dertiger al partner bij de prestigieuze consultancyfirma McKinsey, daarvoor een MBA-diploma op zak van de Franse businessschool Insead –volgens de Financial Times de beste ter wereld– en op zijn 35e Eerste Kamerlid voor het CDA.

Sinds hij bewindsman is, zet zijn partij hem zo onbeschroomd als maar kan in de schijnwerpers. De Humboldtrede die hij in mei uitsprak op de gelijknamige universiteit in Berlijn, werd enthousiast gedeeld, nog enthousiaster dan zijn Bilderbergrede van enkele maanden daarvoor. Eén ding is dan ook helder: net als vicepremier en VWS-minister Hugo de Jonge ziet het CDA ook Hoekstra als een boegbeeld dat de christendemocraten weer vleugels moeten geven bij de komende Tweede Kamerverkiezingen, over een kleine twee jaar.

U werd pas politiek actief nadat u carrière had gemaakt in het bedrijfsleven. Wilde u eerst een stevige basis hebben gelegd voor uw loopbaan, voordat u aan een ongewis, Haags avontuur begon?

„Nee, dat het is gelopen zoals het is gelopen, had ik niet vooraf bedacht of gepland. Na mijn studie ben ik eerst twee jaar in Berlijn gaan werken, voor Shell. Dat was in de periode dat in Nederland Pim Fortuyn opkwam en later werd vermoord. Veel collega’s vroegen mij in die tijd: Wat is er bij jullie toch allemaal gaande? Van een toonbeeld van stabiliteit lijkt Nederland opeens een stuurloos land te zijn.

Vanwege de afstand kon ik dat maar in beperkte mate uitleggen, maar ik dacht toen wel: Nederland is bijzonder, in sommige opzichten komt het dicht in de buurt van het paradijs op aarde. Als ik terug ben, moet ik toch maar eens kijken of ik me verdienstelijk kan maken voor een politieke partij. Voor de goede orde: Ik dacht toen uitsluitend aan wat bezigheden voor een denktank, of voor een wetenschappelijk instituut.”

U bent niet zoals ooit Frits Bolkestein gaan lobbyen voor een plek op de kandidatenlijst?

„Sterker nog, toen de vraag aan de orde kwam of ik eventueel de actieve politiek wilde ingaan, heb ik dat aanvankelijk afgehouden. Ik wilde best iets doen, maar dan naast mijn baan en niet in plaats van die baan.”

Hoe kwam u bij het CDA terecht?

„Als basisschoolleerling keek ik al geregeld met mijn vader mee naar de persconferenties van Ruud Lubbers als minister-president. Dat heeft denk ik wel meegespeeld. Maar zoals ik laatst ook in mijn Bilderbergrede aangaf: naar mijn overtuiging moet elk mens naar de mate waarin hij daartoe in staat is, voor net iets meer zijn verantwoordelijkheid nemen dan alleen voor het eigen ik. Dus ook voor de kerken, de sportverenigingen, voor de maatschappij. Dat appel op die dubbele verantwoordelijkheid, dat ik al van jongsaf heb meegekregen, vind ik van alle partijen het meest terug bij het CDA.”

Kortom, die partij paste u mede gezien uw opvoeding als een jas?

„Klopt. Ik had in veel opzichten een onbezorgde en onbekommerde en misschien moet ik wel zeggen bevoorrechte jeugd. Mijn vader was internist, mijn moeder heeft pedagogiek gestudeerd en begeleidde op het blindeninstituut Bartiméus kinderen met een visuele beperking. Thuis werd er dus veel gesproken over wat ze meemaakten op hun werk. Het was ons als kinderen duidelijk wat ze deden en ook waarom ze het deden. En ook dat zij daarmee een bijdrage wilden leveren aan de maatschappij. Maar wat ze mijn broer, mijn zus en mij vooral voorhielden, was: Denk erom, je kunt niet kiezen waar je wordt geboren, maar je kunt er wel voor kiezen om hard te werken. En goed je best te doen.”

In uw Humboldtrede gaf u onder meer uw visie op de EU. Partijleider Rob Jetten van D66 raakte daarover zo enthousiast dat hij u spontaan aanbood lid van zijn partij te worden. Heeft u zich al aangemeld?

„Ik denk dat Jetten iets beter had moeten lezen. Rechten én plichten moeten hand in hand gaan, zei ik in mijn speech, voor álle landen in de EU. Het gaat om wederkerigheid. Ik zie een aantal zorgelijke ontwikkelingen, zoals de omgang van een aantal EU-landen met de rechtsstaat. Of neem de voorwaarden waaronder landen geld kunnen krijgen uit Europese steunfondsen. Mijn opvattingen daarover zijn vrij uitgesproken en streng. Het is noodzakelijk om ook die kant van de plichten te benadrukken, maar het is nog maar de vraag of elke politieke partij daar voldoende oog voor heeft. Het aanbod van de heer Jetten laat ik verder voor zijn rekening.”

Toonaangevende economen vinden dat u eigenlijk te zuinig bent. Zit u als een terriër op de schatkist?

„Ik vind dat ook hier een paar dingen hand in hand moeten gaan. Nederland zit nu in een periode waarin we fors kunnen investeren in bijvoorbeeld defensie, zorg en onderwijs. Door de goede economische situatie kunnen we ons nu meer permitteren dan in het afgelopen decennium. Dit kabinet heeft zelfs zoveel plannen dat we ze niet allemaal krijgen uitgevoerd.

Aan de andere kant, het gaat nu goed met Nederland, maar dat kan snel weer anders zijn. En rentmeesterschap gaat uiteindelijk ook over de volgende generatie. Ook die moet de vruchten kunnen plukken van goed onderwijs en van goede zorg.”

Vorig jaar hield u ruim 11 miljard euro over. Als het niet lukt om alles uit te geven, int u dan niet te veel belastingen?

„Voor mijn critici is dat misschien een prettig verwijt, maar vergeet niet, we hebben nog altijd een staatschuld van 400 miljard euro. Dat kost ons een enorm bedrag aan rente; ongeveer 6 miljard euro per jaar. Dat is natuurlijk fenomenaal. Het aflossen hoeft wat mij betreft bepaald niet sneller dan we nu doen. Maar als je een appeltje voor de dorst wilt hebben, is dit wel het goede tempo.

Misschien mag ik nog even herinneren aan 2008? Toenmalig minister van Financiën Wouter Bos presenteerde toen op Prinsjesdag een begroting met een overschot van miljarden euro’s. Binnen een halfjaar sloeg de economie om en kwamen we miljarden tekort. Zo snel kan het gaan.”

ARP-minister Jelle Zijlstra, een van uw voorgangers, geloofde dat elk mens en dus ook elke bewindspersoon geneigd was tot alle kwaad. Daarom begon hij vaak met een ‘nee’ tegen collega-ministers die extra geld wilden. Herkent u dat?

„Zijlstra’s biografie is pas verschenen. Dat klopt ja, maar ik heb ’m nog niet helemaal uit”, schertst Hoekstra over de vuistdikke pil. Dan: „Veel ministers van Financiën hebben de reputatie vooral nee-zeggers te zijn, dat is waar. De werkelijkheid is echter aanzienlijk genuanceerder. Zo komt het geregeld voor dat ik met de collega’s in het kabinet juist enorm zit te puzzelen hoe wij de dingen juist wél mogelijk kunnen maken en het gereserveerde geld wel kunnen uitgeven. Overigens, vooropgesteld, ook dat geld is uiteindelijk niet van de politiek. Het is van de burger, die er hard voor heeft gewerkt. En dus is het aan de politiek om het zo verstandig mogelijk uit te geven, op de korte en op de lange termijn.”

Wellicht zit daar ook wel een deel van de pijn. Mensen werken hard voor hun centen, leveren een deel daarvan in en dan gaat de overheid daar de staatsschuld mee aflossen.

„Daar zit misschien wel wat pijn voor een deel van de bevolking, ja. Maar uiteindelijk is ook de staatsschuld van de burger. Daar kun je niet van wegkijken. En zeggen: die 6 miljard euro rente wordt later wel een keer betaald.”

Speelt het beeld dat er onverwacht weer een crisis kan aanbreken u voortdurend door het hoofd?

„Niet voortdurend, dat is te sterk. Laat ik het zo zeggen: de omstandigheden waarin je terechtkomt, kun je niet altijd kiezen. Dat geldt voor je privéleven, weet ik uit ervaring, en beroepshalve is het net zo.”

Welke ontwikkeling in uw privéleven had u niet voorzien?

Hoekstra begint over zijn vrouw Liselot die huisarts is, over zijn vier kinderen en over „de zeer verdrietige en ingrijpende tijd” die aanbrak toen bij hun jongste zoon van inmiddels bijna vier op eenjarige leeftijd leverkanker werd geconstateerd. „Het is nu ruim tweeënhalf jaar geleden dat hij zijn laatste behandelingen kreeg. We zijn nog niet 100 procent uit de zorgen, maar het ziet er gelukkig wel echt goed uit.

Hoe ik met die onzekerheid ben omgegaan en of ik tijdens zijn ziek-zijn heb gebeden? Ik heb eerder zo’n fase met veel vragen meegemaakt, rond mijn twintigste, toen mijn moeder na een ernstige ziekte overleed. Mijn conclusie is: op sommige vragen krijgt een mens in het aardse bestaan geen antwoord. In elk geval niet op veel waaromvragen.”

Er kan ons van alles overkomen en met die wetenschap hebben we het maar te doen?

„Op de kaarten die je in het leven krijgt toebedeeld, heb je vaak geen invloed; dat is zeker waar. Maar de vraag die het leven, God en de samenleving bij tegenspoed aan je stellen, is: Wat doe je? Hoe ga je hiermee om? Wij moeten gewoon vol vertrouwen aan de slag. Daarom hebben Liselot en ik toen ons zoontje ziek werd, al snel tegen elkaar gezegd: Luister eens, we moeten nu niet over het waarom gaan zitten somberen. We moeten alles op alles zetten om hem zo goed mogelijk te helpen, er te zijn voor de andere kinderen. Dát wordt nu van ons gevraagd.”

Als nu net als in 2008 de economie omslaat, kunnen veel van uw plannen meteen de prullenbak in. Is minister van Financiën zijn niet een enorme hondenbaan?

„Ik heb de omstandigheden van de wereldmarkt niet in de hand. Maar ik kan er wel voor zorgen dat ik nu iets doe wat perspectief biedt, wat stabiliteit geeft. Ook voor de lange termijn. Dat betekent, nu het allebei kan, én de staatsschuld aflossen én investeringen doen. Ik moet dit land een heel klein beetje beter doorgeven aan de volgende generatie. Die uitdaging ben ik aangegaan en dat is een grote verantwoordelijkheid. En vooral een enorme eer.”

Levensloop Wopke Hoekstra

Wopke Hoekstra wordt op 30 september 1975 geboren in Bennekom. Hij studeert rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij ook zijn propedeuse geschiedenis haalt. In 1997 is hij praeses van de Leidse Studenten Vereniging Minerva. In 2007 wordt Hoekstra actief voor het CDA, waarna hij in 2011 wordt gekozen als senator. Hoekstra is voorzitter van de commissie CDA-verkiezingsprogramma 2017. Het gezin waaruit hij afkomstig is, gaat in Zeist naar de doopsgezinde gemeente. In zijn woonplaats Bussum bezoekt Hoekstra af en toen een dienst in de remonstrantse gemeente. Hoekstra heeft een vrouw en vier kinderen.