Corona draagt bij aan bestrijden tweekoppig monster

Economie
beeld ANP, Bas Czerwinski

„Een man weet niet wat hij mist, maar als ze er niet is, weet een man pas wat hij mist.” Aan deze songtekst van een muziekband moet ik in deze coronacrisis vaak denken.

Ons jachtige leven kwam tot stilstand en we ervaren hoezeer we contact met andere mensen nodig hebben. We missen niet alleen onze naasten, maar ook collega’s, teamgenoten en toevallige ontmoetingen.

Gedwongen thuiswerken en reisbeperkingen maken ons duidelijk hoe vaak en hoe ver we iedere dag onderweg waren. Twee op de drie Nederlanders werken in een andere gemeente dan die waar hij of zij woont, een op de drie werkt in een andere regio. Vrienden, familie en collega’s wonen vaak niet om de hoek, maar in een ander deel van het land. Door de coronanood gedwongen zoeken we het nu dichter bij huis. Ook in de steden lijkt er iets als, op z’n Twents, ‘noaberschap’ te ontstaan.

De afgelopen maanden voelde Nederland zowel rustiger aan dan voorheen, als drukker. Minder files, lege treinen, maar ook meer wandelaars en volle terrassen overdag in de voorsteden. Stel nu dat corona een systeemverandering met zich meebrengt: niet langer elke dag de trein in of de snelweg op, maar voor een deel of zelfs permanent thuiswerken. Uitgaande van wat vuistregels omtrent verschillen in de mogelijkheden tot thuiswerken per beroep en sector zou het woon-werkverkeer tussen gemeenten zomaar kunnen halveren.

De concentratie van werkzame personen in de grote werkgelegenheidscentra zou afnemen doordat mensen niet meer werken waar hun werkgever is gevestigd. Aangezien deze centra vaak ook veel inwoners tellen, is deze daling van de concentratie niet groot. Het ruimtelijke patroon van Nederland verandert er nauwelijks door.

Mogelijk belangrijker zijn de gevolgen van de economische krimp door corona voor het verhuisgedrag. Werkgelegenheid is, naast studie, relatie of woning en woonomgeving, vooral tijdens het ‘spitsuur van het leven’ een belangrijke reden om te verhuizen. Als we niet meer of veel minder vaak naar kantoor hoeven te reizen, scheelt dat een belangrijke reden om te verhuizen. Op honderd thuiswerkenden scheelt dat misschien wel vijf verhuizende personen. Hierdoor zouden de grote werkgelegenheidscentra –en hun voorsteden– wel flink worden getroffen. Steden als Amsterdam, Zwolle en Eindhoven zouden hun instroom zomaar met een kwart of meer kunnen zien teruglopen. Het landelijke gebied zou het aantal inwoners per saldo zien toenemen doordat minder mensen vertrekken.

Zo’n kentering in het verhuispatroon zou wél een forse verandering van het Nederlandse ruimtelijke patroon betekenen. We zouden weliswaar nog altijd 300.000 woningen tekortkomen, maar de plek waar deze woningen moeten komen te staan zou een andere kunnen worden dan voor corona logisch was. Niet langer zou woningbouw voornamelijk moeten plaatsvinden in de steden (de Randstad), maar ook in landelijke gemeenten.

Zo zou corona –onbedoeld– kunnen bijdragen aan het bestrijden van het tweekoppige monster van congestie in het westen en krimp in perifere en landelijke regio’s. En voor congestie en krimp geldt juist: een man weet niet wat hij mist, maar als het er niet is, mist hij het ook niet.

De auteur is senior regionaal-economisch onderzoeker bij RaboResearch