Bouw mist spin in web voor veiligheid

Petra van Hennik is constructeur en toetst de stevigheid van bouwwerken. beeld William Hoogteyling

Tijdsdruk en bezuinigingen zijn fnuikend voor de veiligheid van bouwwerken. Constructeur Petra van Hennik (39) uit Alblasserdam herkent de kritiek op de bouw van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid.

Op de bouwplaats ontdekte ze een keer dat de wapening van een woningencomplex ontbrak. Ze miste de ophangwapening uit haar plan dat bezwijken van de balk van de voorgevel moest voorkomen. À la minute droeg Van Hennik de aannemer op om alsnog de versterking aan te brengen. Voordat het beton gestort zou worden.

Van zo’n situatie krijgt Van Hennik, projectleider constructies bij ingenieursbureau Nebest, flinke buikpijn. Ze berekent of bouwwerken tegen een stootje kunnen. Momenteel onderzoekt ze herstel van schades, zoals aan een 150 jaar oude gevangenis in Rotterdam.

Risico’s worden vaak onvoldoende doorgrond, concludeerde de onderzoeksraad in een donderdag uitgebracht rapport. Een serie incidenten in de bouwwereld vormde de aanleiding om de sector onder de loep te nemen.

De conclusies van de onderzoeksraad roepen bij Van Hennik geen verbazing op. Al enige jaren legt de overheid de vinger bij de versnippering van rollen in het bouwproces, aldus de bouwkundig constructeur. „De onderzoeksraad stelt terecht dat een bouwproces dan ingewikkeld wordt. Dat zet druk op alle partijen.”

Tekentafel Voordat Van Hennik in het vak begon, in 2006, was in een bouwproces vaak één constructeur betrokken vanaf het ontwerp tot en met de uitvoering. Die liep ook op de bouwplaats en controleerde of het werk werd uitgevoerd zoals hij op de tekentafel had ontworpen.

De laatste jaren worden de taken vaak aan meerdere partijen uitbesteed: een constructeur tekent het voorlopige ontwerp, en het takenpakket gaat dan over naar de constructeur die voor de aannemer werkt. „Soms komt er in de fase van de bouw nog een derde constructeur aan te pas.”

In grote projecten, zoals de recente vernieuwing van het stationsgebied in Utrecht, is het onvermijdelijk om het bouwplan te verdelen in deelprojecten, zegt ze. „Maar zorg dan wel voor één hoofdconstructeur die als spin in het web verantwoordelijk is voor alle facetten. Die snapt hoe het ontwerp in elkaar zit en ziet ook hoe het plan wordt uitgevoerd.”

Tijdens een bouwproject werkt Van Hennik veel samen met aannemers. Naast het maken van berekeningen, zijn discussies met de bouwers ook dagelijkse kost voor haar. „Ieder z’n vak. Ik kan goed rekenen. Een aannemer kan goed bouwen. Ik denk graag mee met de aannemer over oplossingen. Maar een constructie moet vooral logisch zijn.”

Vaak levert de tijdsplanning de nodige frictie op. Door het grote aantal bouwprojecten is er veel haastwerk. De aannemer die zich vandaag bij Van Hennik meldt voor een rekenklus, kan op z’n vroegst pas over vijf weken starten met heien. Op het moment dat de aannemer de opdracht krijgt om de eerste paal de grond in te slaan, moeten vaak de tekening en berekening van de palen nog gecontroleerd worden door haar en door de gemeente. „De praktijk is dat een opdracht gisteren al klaar had moeten zijn.”

Ook het besparen op de kosten eist zijn tol in de sector. In de crisisperiode is de onderkant van de offerteprijs bereikt, zegt Van Hennik. Een hoofdconstructeur krijgt soms maar 0,6 procent van de bouwsom, al stijgt dat percentage nu. Voor de crisis bedroeg dat aandeel 2,5 procent. Doordat er minder geld binnenkomt, blijft er ook minder tijd over om zelf een kijkje te gaan nemen op het bouwterrein.

Parkeergarage

Bang maken wil Van Hennik zeker niet. Afgaand op het rapport van de onderzoeksraad: „Bij de vorig jaar ingestorte parkeergarage bij Eindhoven Airport is ergens in het proces gewoon een ongebruikelijke keuze gemaakt.” Met de manier waarop de vloerplaten daar neergelegd en bevestigd waren, haal je je veel problemen op de hals, legt ze uit.

In de aanbeveling van de onderzoekers om de gedragscode voor bouwers aan te scherpen, kan Van Hennik zich vinden. Het maakt een groot verschil of er gebouwd wordt met de mentaliteit ”alles moet snel klaar zijn” of met de gedachte ”een bouwwerk moet goed en veilig zijn”. Die laatste houding schept volgens haar ruimte om bouwplannen grondig met elkaar door te nemen.