De vader van de moderne jihad is een Palestijn

Abdullah Azzam op een zeldzame foto uit 1989, het jaar van zijn overlijden. Hij bevindt zich in Jalalabad, Afghanistan, waar hij een centrale schakel vormde in de strijd tegen de Russische troepen. beeld Polaris, Said Elatab
2

Islamitisch terrorisme is een van de grootste uitdagingen voor zowel het Westen als het Midden-Oosten. Maar dat is niet altijd zo geweest. De huidige wereldwijde jihad is voor een belangrijk deel terug te voeren op één man: een Palestijn met de naam Abdullah Azzam.

De explosie was oorverdovend, die vrijdagmorgen 24 november 1989. De auto die in het Pakistaanse Peshawar richting de moskee reed, veranderde in een brandende vuurbal. Drie inzittenden kwamen om – een vader en zijn twee zoons, op weg naar de vrijdagpreek in de moskee. Het leven van Abdullah Azzam en zijn zoons Mohammed en Ibrahim was voorbij.

Wat echter nog maar net was begonnen, was een hele beweging die zich beriep op het gedachtegoed van Azzam en die zich in de decennia die volgden wereldwijd zou blijven vertakken. Azzam zou niet alleen de vader van Mohammed en Ibrahim blijken te zijn, maar vooral ook de vader van de wereldwijde, moderne jihad.

Dat was niet altijd een logische uitkomst geweest van het leven van Abdullah Azzam. Het lag veel meer voor de hand dat hij zijn leven had besteed aan de gewapende strijd tegen Israël. Zijn wieg stond namelijk in een klein dorpje in de provincie Jenin op de Westelijke Jordaanoever, waar het verzet tegen Israël overal aanwezig was.

Toen Azzam in 1941 werd geboren, wás er nog geen moderne staat met de naam Israël. Die werd pas in 1948 uitgeroepen. Abdullah was toen nog een kind, maar hij ontwikkelde al vroeg een scherp politiek en vooral islamitisch bewustzijn.

Aanvankelijk deed Abdullah een landbouwstudie, maar daarna besloot hij zich te richten op het islamitisch recht. Toen hij net was afgestudeerd, brak de Zesdaagse Oorlog van 1967 uit. De Westelijke Jordaanoever kwam onder Israëlisch beheer terecht en de jonge Azzam week uit naar Jordanië.

Daar werd de buitengewoon intelligente jongeman gezien als een belangrijke aanwinst voor de strijd tegen Israël. Hij klom in de rangen van de Palestijnse moslimbroederschap in Jordanië en coördineerde aanslagen tegen Israël. Maar een internationale, grensoverstijgende jihad? Die was nog steeds ver weg.

Dat veranderde toen Azzam zelf steeds meer het idee kreeg dat hij de lokale jihad was ontgroeid. Hij vertrok naar Egypte, de bakermat van de moslimbroederschap. De jihadistische en charismatische leider van de Egyptische moslimbroeders, Sayyid Qutb, was niet lang daarvoor geëxecuteerd door de Egyptische staat, maar diens opvolgers waren nog springlevend. Azzam ontmoette er onder anderen Ayman al-Zawahiri, de huidige leider van Al-Qaida.

Egypte zou niet het eindstation zijn. Azzam ging doceren in Saudi-Arabië, aan een universiteit waar op dat moment ook een jonge Saudi met de naam Osama bin Laden studeerde. Intussen reisde Azzam de wereld rond om moslims waar dan ook warm te maken voor een strijd tegen verre tegenstanders.

Het werd 1979 en Rusland viel met veel militair geweld Afghanistan binnen. Dit was dé kans waar Azzam op had gewacht. Hij had intussen heel wat gezag opgebouwd in extremistische kring en vaardigde een fatwa uit waarin hij iedere moslim ertoe opriep deel te nemen aan de jihad ter bevrijding van Afghanistan. Die oproep viel in vruchtbare aarde. Uiteindelijk zouden zo’n 20.000 veelal jonge en veelal Arabische moslims naar Afghanistan gaan om daar de Russen te verslaan in een ‘heilige’ strijd.

Ook Azzam voegde de daad bij het woord; in 1980 vertrok hij naar Pakistan om van daaruit de strijd in Afghanistan tegen de Russen te kunnen coördineren. Vier jaar later reisde Osama bin Laden naar Pakistan, net als veel andere jonge Saudi’s die gevoelig waren voor de lokroep van de jihad.

Bloed en opoffering

Azzam werd hun leider, hun geestelijk vader, hun ideoloog, hun mentor. Hij leerde hun hoe de jihad veel effectiever kon zijn als de oproep daartoe wereldwijd weerklank zou vinden. Hoe het de taak was van moslims om bezet islamitisch gebied waar dan ook ter wereld te bevrijden. Hoe bloed en opoffering daar een noodzakelijk onderdeel van waren. „Jihad en het geweer alleen”, was zijn slogan. Géén onderhandelingen, géén conferenties en géén dialoog.

In 1988 startte hij samen met zijn leerling Osama bin Laden een organisatie die helemaal op die leest geschoeid was. De Basis, zou die organisatie uiteindelijk gaan heten. Of, in het Arabisch: al-Qaida. Een organisatie van waaruit de hele wereld bereikt zou worden. Azzams grote droom, de jihad over de wereld verspreiden, was uitgekomen.

Een jaar later scheurde een autobom in Peshawar het leven van Azzam aan stukken. Maar zijn erfenis bleek springlevend. Al-Qaida kreeg afsplitsingen, de ene nog gewelddadiger dan de ander. Jabhat al-Nusra, al-Shabaab en, als voorlopig dieptepunt, Islamitische Staat. Ze verschillen onderling van karakter, ze zetten zich zelfs tegen elkaar af, maar toch hebben ze een opmerkelijke overeenkomst: zonder de Palestijn uit Jenin waren ze er mogelijk niet eens geweest.

„Lokale repressie hielp jihad de grens over”

Abdullah Azzam is de vader van de wereldwijde jihad, maar hij werd geholpen door de omstandigheden. „Dat de jihad zich kon globaliseren, komt door wat er op plaatselijk niveau in de Arabische landen gebeurde. Doordat islamisten daar werden onderdrukt, ontwikkelden sommigen van hen een internationale focus.”

Dat zegt Thomas Hegghammer, expert in de studie van de jihad en auteur van de eerste diepgravende biografie van Abdullah Azzam. Dat boek, ”The Caravan. Abdullah Azzam and the Rise of Global Jihad”, verscheen eerder dit jaar bij Cambridge University Press.

„In de jaren vijftig, zestig en zeventig waren de meeste islamisten erop gericht om hun eigen samenlevingen te islamiseren”, zegt Hegghammer aan de telefoon vanuit Noorwegen. „Ze probeerden de publieke opinie in hun samenleving te veranderen. Maar ze kwamen er al snel achter dat regimes in de regio niet houden van de politieke islam. De meeste landen gebruikten een zekere graad van onderdrukking om de islamisten te bestrijden. Denk aan verbanningen, gevangennemingen en ook martelingen.”

Thomas Hegghammer. beeld Thomas Hegghammer

Daardoor werden islamisten gedwongen over de landsgrenzen te kijken?

„Ja. Sommige islamisten realiseerden zich dat ze onderdrukking konden voorkomen door lokale onderwerpen te vermijden en zich te richten op de internationale jihad. Niet de situatie in hun eigen land, maar de oemma, de wereldwijde moslimgemeenschap, kwam steeds meer centraal te staan.”

Hoe verliep dat proces bij Azzam?

„Hij zag, net als anderen, dat de oemma in gevaar was. Vooral de inval in Afghanistan door de Russen bracht dat idee teweeg. Maar Afghanistan is niet dé oorzaak dat het islamisme internationaal werd. Als daar geen oorlog was gekomen, was het wel ergens anders gebeurd. De globalisering van het islamisme was al bezig. Wat Azzam mede heeft gedaan, is de discussie hierover militariseren. Toekijken is geen optie, er moet wat gebeuren.”

Hét grote thema van die tijd onder islamisten was Israël. Toch heeft de jihad zich in eerste instantie op Afghanistan gericht, terwijl Azzam note bene zelf een Palestijn was.

„Dit is een paradox die Azzam regelmatig voor de voeten is geworpen. Er is een jihad gaande in Palestina, dus waarom ga jij vechten in de bergen in Afghanistan? Zijn antwoord was dat hij geen keus had. Zijn familie was, net als veel anderen, rond de Zesdaagse Oorlog in 1967 naar Jordanië gevlucht. Ze konden niet terug. Maar daarmee was zijn droom om de jihad ook naar de Palestijnse gebieden te brengen, niet verdwenen. Hij heeft later geprobeerd een islamitische staat in Afghanistan te vestigen, met een sterk leger dat uiteindelijk in staat zou zijn om Jeruzalem te veroveren. Al heeft hij met die poging ongetwijfeld ook zichzelf willen rechtvaardigen.”

Azzam was in alle opzichten een moslimbroeder. Toch moeten jihadistische groepen vandaag de dag, zoals IS, niets hebben van de moslimbroederschap. Hoe zit dat?

„Een van de dingen die me het meest hebben verbaasd in mijn onderzoek, is hoe essentieel de moslimbroederschap was voor de ontwikkeling van het wereldwijde jihadisme. De netwerken van de moslimbroederschap waren onmisbaar voor de mobilisatie van islamisten tijdens de Afghaanse oorlog. Veel soldaten hadden een achtergrond in de moslimbroederschap, en bijna alle belangrijke leiders van de moslimbroederschap zijn op enig moment in Afghanistan geweest om te zien wat de jihad daar inhield.”

Wat zegt dit over de moslimbroederschap nu?

„Ik wil het verhaal dat de moslimbroederschap de wortel is van het kwaad niet te veel voeden. Het is een overdrijving die je vooral ziet bij mensen die de moslimbroederschap in een kwaad daglicht willen stellen. Ja, het is een feit dat je, in elk geval in die tijd, een militante trek ziet in de moslimbroederschap. Maar later wordt het jihadisme opgenomen binnen het salafisme en wordt de invloed van de broederschap marginaal. Die verandering begint in de jaren negentig. Het internationale jihadisme wordt een actor op zichzelf en staat dan zelfs uitgesproken vijandig ten opzichte van de moslimbroederschap. De huidige leider van al-Qaida, Ayman al-Zawahiri, legt dat uit in zijn essay ”De bittere oogst”. Hij vindt dat de broederschap de verkeerde strategie hanteert.

Daarna gaat de verwijdering snel. Je ziet nu vrijwel nergens meer dat de moslimbroederschap deel is van een nationale bevrijdingsbeweging, met één uitzondering en dat zijn de Palestijnse gebieden, waar de broederschap vertegenwoordigd wordt door Hamas.”

Is de opkomst van IS en andere gewelddadige jihadistische groeperingen rechtstreeks te herleiden tot het gedachtegoed van Azzam?

„Er is een grens aan wat we aan hem toe kunnen schrijven. In het begin, rond 1980, is hij de belangrijkste figuur in het jihadisme. Hij zet de lijnen uit voor de toekomst als hij zegt dat jonge moslims niet hoeven te luisteren naar hun regering, hun ouders, hun imam. Daarmee opent hij de doos van Pandora. In de jaren negentig en de eerste jaren van de 21e eeuw zouden jihadi’s, met een beroep op dit gedachtegoed, met steeds radicalere technieken en strategieën komen.

In die zin is hij heel belangrijk voor wat later is gekomen. Tegelijk zou het overdreven zijn om te zeggen dat hij welbewust het pad heeft gebaand voor alles wat al-Qaida en Islamitische Staat later zouden doen. Zo vond hij altijd dat jihad moet worden toegepast in een oorlogsgebied. Hij zou de aanslagen van 11 september zeker niet hebben goedgekeurd, omdat ze niet aan die voorwaarde voldeden. Maar de vraag wordt gecompliceerder als je probeert vast te stellen of hij er misschien later wél zijn goedkeuring aan zou hebben gegeven, als hij langer had geleefd. Dat kun je niet zeker weten.”

Azzam wordt gezien als dé vader van de internationale jihad. Wie waren op hun beurt de mensen die hem hebben beïnvloed?

„Daarvoor moet je ver teruggaan in de islamitische geschiedenis. Het idee als zodanig vind je al in de islamitische klassieke traditie, vooral bij imam Shafi, die in de 9e eeuw de stichter was van een van de vier soennitische rechtsscholen. Azzam citeert Shafi regelmatig in zijn boeken. Maar natuurlijk was de situatie in Shafi’s tijd heel anders. Hij had niet te maken met natiestaten, maar met een kalifaat. Daarom herinterpreteert Azzam de woorden van Shafi. Hij zegt: de taak om moslims wereldwijd militair te verdedigen is er altijd geweest, maar vandaag moet dat er zó uitzien.”

Weet u wie er achter de autobom zit die Azzam het leven kostte?

„Dat is waarschijnlijk het grootste moordmysterie in de geschiedenis van het jihadisme. Azzam was op dat moment een superster, de grote helder van de Afghaanse Arabieren. Terwijl er honderden mensen buiten bij de moskee staan, gaat die autobom af. Als iemand hem had willen vermoorden, had dat eenvoudig op een minder opvallende manier kunnen gebeuren. De aanslag was dus bedoeld om te shockeren. Er moet een politiek motief geweest zijn om de Afghaans-Arabische gemeenschap bang te maken. Als ik er geld op moet zetten, kies ik voor de Pakistaanse geheime dienst, de ISI. Die had een motief: Azzam ondermijnde met zijn activiteiten de Pakistaanse samenleving. En de ISI had ook de mogelijkheden om de aanslag uit te voeren. Maar onomstotelijk bewijs dat deze dienst erachter zat, heb ik niet.”