Ruimte voor de Rivier echt nodig bij nog extremer weer

5

Op ruim dertig plaatsen is de afgelopen tien jaar meer ruimte gemaakt voor de rivier, soms onder stevige protesten van omwonenden. Bewijzen de hoge waterstanden van deze dagen het nut van de getroffen maatregelen?

Het werd wel het tweede Deltaproject genoemd; het programma Ruimte voor de Rivier. Op een oppervlak van in totaal 24.000 hectare werden uiterwaarden verdiept, dijken verplaatst en nevengeulen aangelegd. Het project, dat zo’n 2,5 miljard euro heeft gekost, was deels preventief van aard en werd ingegeven door de klimaatverandering.

Een directe aanleiding werd gevormd door de massale evacuaties die in 1993 en 1995 nodig waren door de hoge waterstanden in het rivierengebied van Nijmegen tot Gorinchem.

Kortgeleden zijn de 34 projecten langs IJssel, Rijn, Lek en Waal na zo’n tien jaar afgerond en ziedaar; slechts enkele maanden na de officiële voltooiing stijgt het rivierwater in Nederland weer tot grote hoogten. De vraag ligt dan ook voor de hand: Vormt deze piek de testcase voor het prestigieuze project?

Nog niet, redeneert rivierdeskundige prof. dr. Frans Klijn van kennisinstituut Deltares. „Het totaalpakket aan maatregelen is bedoeld voor extremere situaties dan die we momenteel meemaken.” Klijn rekent voor: „Ruimte voor de Rivier is opgezet zodat Nederland bestand is tegen een afvoer van 16.000 kubieke meter Rijnwater per seconde. De bestaande dijken konden bij aanvang van het project al 15.000 kubieke meter hebben, en op dit moment hebben we te maken met een doorstroming van ruim 7000 kubieke meter. Kortom: de vraag welke vruchten het project precies afwerpt, is nu nog niet te beantwoorden.”

Zichtbare effecten treden pas op als er per seconde nog 5000 kubieke meter Rijnwater meer ons land binnenstroomt, vult Cor Beekmans, projectmanager rivier bij Rijkswaterstaat, aan. „De instroom nadert dan een waarde van 12.200 kubieke meter, net als in 1995. Pas dan is een goede vergelijking echt mogelijk.”

Kijk je puur naar de zichtbaar toegenomen waterveiligheid, dan is het rendement van Ruimte voor de Rivier nu nog tamelijk beperkt, constateren beide experts nuchter. Klijn verwijst naar de bypass bij Veessen en Wapenveld die de IJssel tussen Deventer en Zwolle moet ontlasten. „De overlaat die het overtollige IJsselwater naar de nevengeul moet laten stromen wordt alleen in werking gesteld als het echt gevaarlijk begint te worden. Pas bij een waterpeil van 5,65 meter gaan de kleppen open, zo is afgesproken met onder meer de agrariërs uit de omgeving. De stand ter plaatse is nu 4,5 meter.”

Maatregelen waarvan al bij de huidige waterstanden zichtbaar is dat ze werken, zijn er overigens wel, onderstreept de expert. „Denk maar aan het verlagen van de kribben langs de Waal tussen Beuningen en Gorinchem, en aan nog wat van zulke maatregelen in het zomerbed. De kribben staken door het verzakken van de Waalbodem tot enkele jaren geleden meters hoog boven het water uit. Het verlagen ervan heeft de doorstroming aanmerkelijk verbeterd. De kribben zijn nu geen stuwdammetjes meer.”

Nog een voorbeeld: het aanleggen van de nevengeul bij Lent en het verleggen van de rivierdijk. Klijn: „De Waal is daar een flessenhals, maar de afstroming is nu flink verbeterd.”

Beekmans wijst erop dat het nut van Ruimte voor de Rivier niet alleen moet worden afgemeten aan de veiligheidseffecten. „Die vormden het hoofddoel, maar we mikten daarnaast op tal van maatschappelijk-economische neveneffecten, zoals het herstel van natuurkwaliteit. Steeds meer toeristen ontdekken de nevengeul bij Lent als recreatiegebied en de gemeente Nijmegen is zelfs van plan er huizen te gaan bouwen. Dat draagt ook bij aan het rendement van het geheel.”

Klijn: „Zolang een vulkaan maar een beetje vuur spuwt, zeggen toeristen niet: Wat eng, maar: Wat prachtig. Zo geniet ik ook van deze hoogwaterstand. Ik zit deze week vooral in Delft op mijn werkkamer, maar het liefst zou ik al de rivieren afrijden om elke dag iets van dit fascinerende natuurverschijnsel te zien.”