Islamitische scholen vechten voor goede cijfers

Op één school na krijgt iedere islamitische school er van de onderwijsinspectie van langs.
3

„Gesjoemel” met overheidsgeld, „snoepreisjes” naar Mekka, inferieure lessen: de kritiek op islamitische scholen is hard. Snoeihard. Een directeur: „Je moet voorlopig gewoon volbloed Nederlanders aan het roer hebben.” Een kijkje van binnenuit.

„Wat heb ik gezegd? Mondjes op slot!” Juf Zelis van de islamitische Bilalschool in Amersfoort kijkt de leerlingen van groep 4a streng aan. „Ja, Yassin, jij ook stil!” Yassin (7) gaat met een ruk rechtzitten, maar zijn gezicht lacht. Hij buigt zich weer over zijn rekenboek. Zachtjes mompelt hij de getallen voor zich uit, waarna hij de uitkomst van de optelsom in parmantige cijfers opschrijft.

Het gaat goed op de Bilalschool, die in Amersfoort twee vestigingen heeft. Het leerlingenaantal -nu bijna 400- groeit al jaren gestaag. De resultaten van de jaarlijkse Cito-toets doen nauwelijks onder voor het landelijk gemiddelde.

Leerlingen voelen zich er op hun gemak, zeggen zowel ouders als de oud-directeur. Ook naar een gast voelen ze zich vrij. „Die jongen mag niet op de foto van zijn vader”, wijst een 7-jarig meisje van wie alleen het gezicht en de handen te zien zijn. Anderen knikken. Sommige ouders nemen het verbod op het aanbidden van beelden in de Koran heel ernstig, „al zijn het er niet veel”, relativeert directieassistente Mariam el-Idrissi.

Progressief
De Bilalschool is onderdeel van Simon (Stichting Primair Onderwijs op Islamitische Grondslag in Midden- en Oost-Nederland), met acht aangesloten basisscholen de grootste islamitische scholenstichting van Nederland. De Simonscholen zijn niet de meest orthodoxe van Nederland. „Wij zijn progressief”, knikt bovenschools directeur Ismail Taspinar. Om die reden hield basisschool El Inkade in Ede het lidmaatschap recent voor gezien. De school kon zich niet vinden in de lijn van het bovenschoolse bestuur.

Ook op de Bilalschool in Amersfoort komen regelmatig ouders kijken die vinden dat het allemaal wel wat islamitischer kan. „Dan vragen ze: Wat is hier nu islamitisch aan?”, zegt assistente El-Idrissi. „Soms kiezen die ouders nog eerder voor een openbare school. Dat is makkelijker uit te leggen aan de kinderen.”

Toch is iedereen die de grondslag onderschrijft hartelijk welkom, benadrukt El-Idrissi. „Je ziet die breedte terug in het personeel, in de leerlingen en in de ouders.” Ze wijst naar een paar meisjes. „De één draagt een hoofddoek, de ander niet. Er komen hier zelfs moeders die een boerka dragen, al zijn dat er maar twee.”

Modelschool
In het vorige week gepubliceerde rapport van de onderwijsinspectie doen de Simonscholen het opvallend goed. Slechts een enkele school komt er beter van af, en op niet meer dan één school -Er-Risèlèh in Leiden- heeft de inspectie helemaal niets aan te merken. Andere scholen, met name in Almere, Helmond en het Rijnmondgebied, komen er bekaaid van af. Op vrijwel alle onderzochte terreinen schort er iets aan.

„Wij willen een modelschool zijn voor burgerschap en integratie”, verklaart bovenschools directeur Taspinar die relatief goede positie. „Daarom willen we bijvoorbeeld dat niet meer dan maximaal de helft van de leerkrachten islamitisch is. Daardoor kunnen we de leerlingen confronteren met diversiteit in de samenleving. Dat werpt zijn vruchten af.”

Toch zijn ook sommige bestedingen op de Simonscholen mogelijk niet conform de regels, stelt de onderwijsinspectie.

„U bedoelt dat er gesjoemeld wordt? Nu, dat is pertinent niet het geval.” Taspinar heft een hand op om zijn woorden kracht bij te zetten. „Ik hoop dat u ons hier uitgebreid over aan het woord wilt laten. Want islamitische scholen zijn de best gecontroleerde scholen van Nederland. Dan weer krijgen we controle over de aanwezigheid van radicale ideeën, dan weer over mogelijke fraude, en ga zo maar door.”

Maar wat is er dan aan de hand?

„Het grootste deel van de bestedingen waarover twijfels zijn, gaat over het leerlingenvervoer. De ouders van onze scholen zitten vaak onder aan de maatschappelijke ladder, zij kunnen de bekostiging van het vervoer niet zelf betalen. Veel besturen gaan creatief met dit probleem aan de slag. Wij ook. We hebben een deel van onze voorzieningen weggezet op een depositorekening. Gemiddeld krijgen we daarvan zo’n 70.000 euro rente per jaar. Daarvan is een deel bestemd voor het leerlingenvervoer, en een ander deel voor ons bovenschools kantoor. Ook daar heeft de inspectie vragen over. Maar het geld van de overheid is er nog helemaal. Als je dit sjoemelen met geld noemt, zoals in de media gebeurde, ben je niet goed bezig.”

Volgens het rapport worden er ook regelmatig reisjes naar Saudi-Arabië gemaakt die geen enkel educatief doel dienen.

„Die reizen zijn wél educatief. Er zijn allerlei aspecten van onder andere aardrijkskunde, geschiedenis en taalvaardigheid aan verbonden. Organiseer je een kamp in Nederland, dan doet niemand daar moeilijk over. Waarom vallen mensen hier dan wel over? Als Simonscholen hebben we dit op initiatief van een groep ouders overigens één keer gedaan, waarbij we per leerling 100 euro hebben gedoneerd uit de eerdergenoemde rente. Middelbare school Ibn Ghaldoun in Rotterdam (waarvoor staatssecretaris Van Bijsterveldt een nieuw bestuur wil aanstellen, JH) heeft soortgelijke reizen geheel bekostigd. Wij doen dit soort reizen intussen helemaal niet meer, mede omdat de overheid van Saudi-Arabië moeilijk doet over wie er verantwoordelijk is voor de kinderen.”

Zeer zwak
Onder de acht Simonscholen is er één die van de inspectie het predicaat ”zeer zwak” heeft gekregen, de Imam Albogarischool in Den Bosch. Interim-directeur Fred Koopman verklaart die positie vanuit beroerde omstandigheden in het kader. „De directeur ging weg en even daarvoor ook de intern begeleider. Daardoor was er helemaal geen onderwijskundige aansturing meer. Dan gaat het snel achteruit.”

Daarnaast waren de leerkrachten niet erg gericht op hoge prestaties, zegt Koopman. „Het kan zijn dat je met buitenlandse kinderen je verwachtingen steeds lager stelt. Maar dat is niet de oplossing. Er mankeert niets aan hun cognitieve competentie. Je moet juist wél hoge verwachtingen van die kinderen hebben.”

Taspinar: „Leraren kunnen hun werk op den duur heel routinematig gaan verrichten, maar daar zitten wij bovenop. De aanpak wordt vaak gezocht bij het kind, maar wij kijken liever naar de aanpak van de leraren. Het kind is niet anders dan een willekeurig kind op een andere basisschool.”

Hoe je het ook wendt of keert: islamitische scholen lopen achter als het om de resultaten gaat. Waarom juist islamitische scholen?

Taspinar: „Dat komt gedeeltelijk door onkunde, door onder meer het missen van kader. De juiste aanpak ontbreekt daardoor soms nog. We hebben het hier over heel jonge organisaties.” Prikkelend: „Je mag ons niet volledig vergelijken met denominaties die al een eeuw bestaan en zelfs een eigen pabo en eigen politieke partijen hebben om hun belangen te behartigen. Het islamitisch onderwijs staat er helemaal alleen voor.”

Koopman, zelf geen moslim, weet wel een oplossing. „Je moet voorlopig gewoon volbloed Nederlanders aan het roer hebben. Die weten hoe de hazen lopen.” Taspinar knikt. „En als het daar bovenop nog bekeerlingen zijn, is het helemaal mooi.”

Klik hier voor het rapport van de onderwijsinspectie.


„Stop met verwijten maken”
Onkunde speelt een belangrijke rol in de slechte prestaties van islamitische scholen, vinden deskundigen. En de culturele achtergrond doet daar nog een schepje bovenop. Maar tegelijkertijd moeten ook de overheid en andere toezichthouders de hand in eigen boezem steken. „We moeten uit de sfeer van verwijten over en weer.”

Directeur Y. Altuntas van de Islamitische Scholen Besturen Organisatie (ISBO), waarbij 44 van de 48 moslimscholen zijn aangesloten, hield van het debat in de Tweede Kamercommissie over de islamitische scholen donderdagmiddag geen prettig gevoel over. „Geen nieuwe feiten, alleen wat bekende kreten; ik ben er niet wijzer van geworden”, verzucht hij een halfuur nadat hij de beraadslaging via de website van de Kamer volgde.

De politici wisten te vertellen dat de onervarenheid van islamitische schoolbestuurders de oorzaak is van de slechte kwaliteit, de onrechtmatige besteding van overheidsgeld en het ontbreken van goede medezeggenschapsregelingen die in het rapport van het kabinet geconstateerd worden. „Onervarenheid is het probleem niet”, weerspreekt Altuntas. „Wel is er bij een deel van de besturen te weinig kennis.”

De ISBO-directeur wil „de bal terugkaatsen: de overheid moet duidelijker zijn over de regels en die niet zo vaak veranderen, en de accountants hadden moeten waarschuwen dat bestuursleden niet op de loonlijst mogen en dat leerlingenvervoer niet met overheidsgeld mag worden bekostigd. Overigens wordt het vervoer soms uit de renteopbrengst betaald. Dat mag wel, al zegt de overheid van niet.”

Ook drs. N. van Kessel van de Radboud Universiteit Nijmegen, specialist op het gebied van islamitisch onderwijs, vindt het „verbazingwekkend” dat de overheid niet beter controleerde en dat de accountants niet ingrepen. „Er heerst bij de huidige bestuurders onkunde over wat wel of niet kan in de besteding van overheidssubsidies. Het zit soms ook in de culturele achtergrond: in een deel van de wereld help je je familieleden toch aan een baan?”

Tegenwerking
De wind was in veel gevallen niet gunstig voor de oprichters van de islamitische scholen. De meeste scholen zijn na 1994 gesticht. In dat jaar was het minimum leerlingenaantal fors opgeschroefd. Op het platteland zijn 200 leerlingen nodig om een school te kunnen beginnen; in de grote steden zelfs 320. Dat aantal moet binnen vijf jaar worden gehaald.

„Naast een hoge startnorm is hier en daar onmiskenbaar sprake van tegenwerking door gemeentebesturen”, zegt Van Kessel. „Die staan niet allemaal te juichen bij de komst van een islamitische school. Recent zag je dat in Deventer, eerder bijvoorbeeld in Delft en Den Haag. Ook al voldoen de initiatiefnemers aan de normen, dan nog zie je dat gemeenten er niet warm voor lopen, totdat het ministerie of de Raad van State ze tot de orde roept. Maar dat probleem hebben bijvoorbeeld evangelische scholen soms ook.”

Ons kent ons
„De islamitische scholen hebben een nieuwe generatie bestuurders nodig”, stelt onderwijskundige Z. Arslan van het instituut voor multiculturele ontwikkeling Forum. „Die wisseling verloopt traag. De huidige bestuurders hebben vaak onvoldoende kennis van de wet- en regelgeving en van wat er wel en niet kan. Die bestuurders moeten plaatsmaken.”

Voor de ISBO is het vinden van geschikte bestuurders „een grote zorg”, zegt directeur Altuntas. „De eerste generatie heeft er vanuit betrokkenheid de schouders onder gezet, maar zij heeft een taalprobleem en kan de papieren niet goed lezen. Het is ook te veel een ons-kent-onssfeer.

Het is goed dat er nu jongeren met deskundigheid in de besturen komen. Dat is bijvoorbeeld in Eindhoven gebeurd en het gaat daar nu heel goed. Het rapport zegt dat daar geen medezeggenschapsraad is, maar dat is achterhaald, net als andere dingen die genoemd worden. Goede bestuurders aanstellen is echter als het vinden van een speld in een hooiberg. Ze worden soms voor je neus weggekaapt door andere organisaties.”

De manco’s in de medezeggenschap zijn volgens Arslan typerend voor zwarte scholen. „Het is niet zo dat in de besturen van islamitische scholen mensen zitten die de inbreng van docenten en ouders bewust inperken.”

Lerarentekort
De invloed van scholenorganisatie ISBO moet volgens deskundige Van Kessel niet worden overschat. „Er zijn eigenzinnige schoolbesturen die soms niets van de andere besturen moeten hebben. Veel controle kan de ISBO ook niet uitoefenen; er werken maar vijf mensen. En ook bij deze organisatie zie je gebrek aan bestuurservaring en veel wisselingen in het leiderschap.”

De noodzakelijke kwaliteitsverbetering wordt afgeremd door het nijpende gebrek aan goed opgeleide leraren. „Er zijn relatief veel onbevoegde docenten, met name in het voortgezet onderwijs.” Van Kessel pleit voor bestuurlijke en onderwijskundige ondersteuning van de islamitische scholen. „Die steun roepen ze te weinig in.”

De scholen hebben moeite met de kwaliteitsverbetering, terwijl het onvermijdelijk is dat daaraan gewerkt wordt, stelt Forummedewerker Arslan. „Hulp van ministerie en onderwijsorganisaties is nodig. We moeten uit de sfeer van verwijten over en weer. Het Nederlandse onderwijsbestel moet deze nieuwkomers in de gelegenheid stellen zich een volwaardige plaats te verwerven.”