„Het leven in Vreeswijk veranderde door de Beatrixsluis”

Bep de Vries hoopt te gaan kijken bij de opening van de derde kolk. “​Ik kijk er naar uit, de scheepvaart houdt mijn belangstelling.” beeld André Bijl

Het leven in Vreeswijk, tegenwoordig onderdeel van Nieuwegein, veranderde toen in 1938 de Beatrixsluis werd geopend. Schepen namen van de ene op de andere dag een andere route. „Het werd ineens erg stil bij ons.”

Bep de Vries-van Ieperen (89) weet nog als de dag van gisteren dat de sluis er kwam. „Ik ben geboren en getogen in Vreeswijk. De Beatrixsluis werd geopend toen ik een meisje van een jaar of negen was. Ik zat op de School met de Bijbel, we gingen met de klas de opening bekijken.” Details van die gebeurtenis in 1938 weet De Vries niet meer –„ik ben bijna negentig, sommige dingen ben ik vergeten”– maar de gevolgen staan haar nog helder voor de geest.

Schutten

Het nieuwe sluizencomplex in het Lekkanaal bij Nieuwegein/Vreeswijk zorgde voor de scheepvaartverbinding tussen de rivier de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal. „De schepen maakten eerst gebruik van de Koninginnesluis in het Merwedekanaal bij Vreeswijk. Het schutten van de schepen daar duurde altijd erg lang. In mijn herinnering lagen ze wel een paar dagen te wachten. Daarom werd die Beatrixsluis gebouwd. Daar ging het schutten veel sneller.”

De nieuwe sluis zorgde voor het nodige vertier. „Ik kom uit een echte schippersfamilie, ik ben opgegroeid met water en schepen. Mijn ooms hadden een sleepboot, mijn vader was parlevinker (varende verkoper, red.) en had ook een boot. Als we kennissen of familie op bezoek kregen, gingen we altijd even bij de Beatrixsluis kijken. Iedereen vond de drukte rond de sluis prachtig: het aan- en afvaren van de schepen, de sluisdeuren die omhoog en omlaag gingen. Het verveelde niet gauw.”

Met de komst van de sluis veranderde er nog meer. „Er lagen altijd sleepboten en andere schepen. Soms wel een week lang. Het was er een drukte van belang. Mijn vader ging met zijn roeiboot langs die boten en verkocht vesten, broeken, petten en klompen en soms ook suiker, thee en koffie. Het voordeel daarvan was dat we in de oorlog nooit surrogaat hoefden te drinken”, lacht mevrouw De Vries. „Vader had een stel vaste klanten, sommigen kwamen bij ons aan huis.”

Klandizie

Ook andere ondernemers –bakkers, slagers en kruideniers– verdienden de kost met de bevoorrading van de schepen. „Van de ene op de andere dag was dat voorbij. Alle schepen namen de nieuwe, snelle vaarroute via de Beatrixsluis en bij ons werd het stil. Later kwam een deel van die schepen terug, maar de bedrijvigheid van vroeger was voorbij.”

De winkeliers kregen te maken met een forse economische terugslag. „Sommige winkels aan de Handelskade sloten op de duur hun deuren. Mijn vader ging naar de Beatrixsluis om daar te parlevinken. Als ik vakantie had, ging ik soms een dag met hem mee. Dat was altijd een avontuur. In de oorlog werd zijn boot gevorderd door de Duitsers.”

De Vries hoopt te gaan kijken bij de opening van de derde kolk. „Mijn dochter komt me halen. Ik kijk er naar uit, de scheepvaart houdt mijn belangstelling.”