Anne-Marie Kool: hart voor Oost-Europa

Het Gesprek
Prof. dr. Anne-Marie Kool. beeld Sjaak Verboom

God gaat Zijn ongekende gang. Dat is de titel van het proefschrift waarop Anne-Marie Kool in 1993 promoveerde, maar ook het motto van haar leven. Het kenmerkt de levenshouding waar ze naar streeft: kijken wat God aan het doen is, en proberen daarbij niet in de weg te staan. „Maar dat ben ik nog altijd aan het leren.”

Het afgelopen jaar had Anne- Marie Kool veel om te herdenken: het was 40 jaar geleden dat ze belijdenis deed, 30 jaar geleden dat ze naar Hongarije ging, ze was 25 jaar in dienst bij de zendingsorganisatie GZB. En in december vierde ze haar zestigste verjaardag.

Ze heeft nooit een veilig bestaan geleid. Geregeld had ze te maken met onzekerheid over woning en werk, over geld en alles wat verder nodig is voor een makkelijk bestaan. Sinds ruim twee jaar werkt ze onder verantwoordelijkheid van het Evangelisch Theologisch Seminarie in Osijek, Kroatië. Ze woont nog steeds in Boedapest, waar ze lesgeeft aan het Baptisten Seminarie.

Intussen doet ze veel meer dan dat: in heel Oost-Europa legt ze contacten, geeft ze colleges en bouwt ze aan een netwerk van studenten en docenten voor de bestudering van zending en evangelisatie. Ze is mentor, praatpaal, docent en pastor tegelijk. „Maar misschien ben ik wel vooral uitgezonden om Nederlandse christenen inzicht te geven in wat God doet op een ander plekje in de wereld.”

Ze is opgegroeid in Oud-Alblas, in een gezin met vijf dochters. „Wij hebben allemaal de ondernemingszin van onze ouders meegekregen. Mijn vader was eerst boer, maar moest om gezondheidsredenen ander werk gaan doen. Hij heeft zich toen omgeschoold tot makelaar-taxateur. Mijn moeder werd zijn secretaresse. Wij als kinderen hebben van dichtbij meegemaakt hoe ze samen een bedrijf hebben opgebouwd.”

Hoe heeft dat u gevormd?

„We hebben van onze moeder geleerd wat managen is, van onze vader wat onderhandelen en zakendoen is. Ik zie dat ook aan mijn zussen: de ene heeft jarenlang in het Europees Parlement gezeten, de andere heeft de makelaardij overgenomen, de derde heeft als verloskundige een zelfstandige praktijk, en de vierde runt een paardenstoeterij. Bij ons thuis was er altijd om 10 uur ’s ochtends koffie met koek. Iedereen die in de buurt was schoof aan bij de keukentafel, er werden nieuwtjes uitgewisseld, er werd gepraat. Dat is een element dat ik heb meegenomen: ik doe hetzelfde nu met m’n studenten. Zij hebben verschillende achtergronden –zoals baptisten, Roemeens-orthodoxen, gereformeerden– en ze komen uit verschillende landen. Dan krijg je makkelijk dat je elkaar slechts op afstand beoordeelt. Daarom hecht ik erg aan het principe: je gaat eerst drie koppen koffie met elkaar drinken, en elkaar vragen stellen over je leven en je overtuiging. Zo leer je elkaar kennen.”

Die benadering heeft ook te maken met uw opvatting over zending.

„Toen ik twee jaar geleden in Osijek kwam, dacht ik: dit is een situatie waarin ik te maken heb met mensen die teleurgesteld en gekwetst zijn, die pijn en verlies hebben geleden. Ik moet eerst gaan luisteren. Ik mag nooit denken: ik weet wat jullie probleem is en ik zal vertellen wat jullie nodig hebben. Dus ik heb mijn Senseo-apparaatje meeverhuisd, en een tafel met twee stoelen gevraagd, en mensen uitgenodigd om koffie te drinken. Dat heb ik een jaar gedaan, en daar pluk ik nu de vruchten van.”

U werkt al dertig jaar in Oost-Europa. Hoe bent u daar terechtgekomen?

„Dat is een lang verhaal, dat begint bij mijn betrokkenheid bij Koffiebar De Schor in Papendrecht, een onafhankelijk evangelisatieproject in de Alblasserwaard. Ik wilde eerst scheikunde gaan studeren, maar door dat werk ging ik nadenken over ”actief iets met mensen doen en het Evangelie doorgeven”. Ds. R. H. Kieskamp zei tegen me: „Waarom zou jij geen theologie gaan studeren?” Dat heb ik toen gedaan. Ik wist vanaf het begin: ik word geen predikant –dat lag helder in de Gereformeerde Bondsgemeente van Oud-Alblas– maar ik wil graag toerustingswerk gaan doen. In die tijd kwam ik op een zendingsconferentie in Leuven, die diepe indruk maakte. Daar zag ik hoezeer de hele Bijbel een zendingsboek is. Aan het eind van die conferentie zei ik: Heere, hier ben ik, ik ben bereid te gaan waarheen U wilt.”

Daarbij dacht u zelf aanvankelijk niet aan Oost-Europa.

„Ik dacht: zending, dat is Afrika. Ik moest nog leren dat het niet uitmaakt waar je je bevindt, dat het gaat om bloeien waar je geplant bent. Zending is een beweging van overal naar overal. Het begint waar je woont, waar je studeert. Mijn beeld moest bijgesteld worden. Nog steeds trouwens: ik had bijvoorbeeld eerst niet zo’n positief beeld van de Roma – zigeuners, dieven, slecht volk. Maar wat hebben mijn bevooroordeelde beelden vaak in de weg gestaan om te zien wat de Heere aan het doen was: een opwekking, juist onder de Roma.”

Het werd geen Afrika, maar Hongarije.

„Dankzij ds. A. Breure, die toen in Oud-Alblas stond, kreeg ik voor het eerst contact met Hongaarse predikanten. Later gingen we met een groep jongeren naar Hongarije om Bijbels te brengen – toen nog achter het IJzeren Gordijn. In die tijd raakte ik ook betrokken bij het christelijke studentenwerk van IFES, onder meer bij de eerste conferentie over evangelisatie, met 600 studenten uit allerlei landen.

Kort daarna kreeg ik van vier mensen van IFES een brief: wij denken dat jij naar Hongarije moet gaan. Ik zie me nog zitten, aan de rand van een Schots loch –ik had net vakantie– met een stuk papier en een pen. Ik maakte twee lijstjes: Waarom ja? Waarom nee? De ja-lijst was een lange lijst: ik had ervaring met studentenwerk, met gemeentewerk, met koffiebarwerk, met het leiden van Bijbelstudies. Maar aan de andere kant: ik voelde me niet bekwaam, het was achter het IJzeren Gordijn, en wat zouden m’n ouders ervan zeggen?”

U dacht dus heel nuchter en logisch na over deze roeping.

„We hebben niet voor niets ons verstand gekregen. Informatie verzamelen, biddend ermee bezig zijn, het Woord lezen, kijken naar de omstandigheden, luisteren naar de mensen die op je pad komen – dat zijn allemaal wegen waarlangs je Gods leiding kunt ervaren. Een voor een werden mijn bezwaren weggenomen. Allereerst dacht ik: De Heere zegt toch: „Ik zal je bekwaam maken” en: „Wees niet bevreesd.” Dus die twee dingen kon ik al afstrepen. En daarna bleek het idee ook voor mijn ouders geen enkel probleem te zijn. Ik zat toen alleen nog met de vraag wat mijn officiële status in Hongarije zou zijn. Ik ben bij dominee C. Snoei langsgegaan, die destijds als toerustingspredikant voor de IZB en GZB werkte. Hij zei: „Misschien kun je daar als PhD-onderzoeker aan de slag.” Dat idee was nooit bij me opgekomen, maar ik dacht: Als dat de prijs is die ik moet betalen, dan doe ik dat. Ik ga gewoon, en ik vertrouw maar op de Heere dat Hij in alles zal voorzien.”

Voelde u zich daarna een wetenschapper?

„Onderzoek op het gebied van theologie en missiologie, dat kwam in mijn Alblasserwaardse vocabulaire niet voor. Ik wilde dingen dóén, in de praktijk. Maar in de loop van de jaren ben ik er wel achter gekomen hoe belangrijk het ook is om grondig onderzoek te doen, te reflecteren, lessen te trekken uit de geschiedenis en die weer toe te passen op de praktijk van vandaag. Die wisselwerking tussen theorie en praktijk is ook belangrijk in het zendingswerk. Op het moment heb ik zes studenten die met hun MA-eindscriptie of promotieonderzoek bijdragen aan een project om de kerkgeschiedenis van de Roma voor het eerst vast te leggen. Dat geeft de mensen wortels in het verleden en helpt hen te zien hoe de Heere ook onder de Roma gewerkt heeft en werkt. Het maakt dat ze kunnen zeggen: Wij hebben onze eigen geschiedenis.”

U hebt jarenlang studenten begeleid, colleges gegeven, toerustingswerk gedaan.

„Ik heb alle mogelijke werk gedaan. Kort na de val van de Muur heb ik hulptransporten ontvangen, ik was bezig met soep koken en vertalen, met wat maar nodig was. En ook later was ik niet alleen maar hoogleraar, maar heb ik geholpen met conferenties organiseren, kaders opzetten, fondsen werven, noem maar op. Je moet bereid zijn om álles te doen. Ook dat is een deel van Gods zending. Wat dat betreft ben ik dankbaar voor mijn gereformeerde achtergrond: ook het alledaagse leven is aan God gewijd.”

Om te promoveren kwam u terug naar Nederland.

„Toen volgde er een eenzaam jaar. Ik had aanvankelijk geen geld, ben zelfs naar de gemeente Houten geweest om een uitkering, maar toen kreeg ik gelukkig voor een jaar een beurs van de GZB om mijn proefschrift af te maken. Toen, in 1993, kreeg de GZB een brief van de Hongaarse kerk, met het officiële verzoek om mij opnieuw uit te zenden. Dat was heel bijzonder. Ik ben in juni gepromoveerd, en in oktober vanuit de Siongemeente in Houten uitgezonden.”

Hebt u ooit aan uw roeping getwijfeld?

„Die eerste periode in Hongarije was niet makkelijk. Ik zat zondag aan zondag in de kerk, en dan zat ik me af te vragen: Wat doe ik hier eigenlijk? Pas na maanden wachten kreeg ik uiteindelijk de vraag om een cursus voor Bijbelkringleiders te geven, in de kelder van de kerk, in het diepste geheim. Ik had het ook moeilijk nadat iemand van IFES tegen me zei: Wat fijn dat je ook nog zo actief met studentenwerk bezig bent. Ik dacht: Maar lieve help, dat is toch de hoofdreden dat ik hier ben? Wie ben ik dan, waarom ben ik hier? Ik ben niet eens officieel uitgezonden, heb geen contract. Ik zie me nog lopen door Boedapest, ik voelde me niet meer dan een druppeltje. Maar toen dacht ik aan wat ik ooit van Chris Davies, mijn voorgangster bij IFES, gehoord had: Wees bereid om alles te doen, wees bereid om niets te doen, wees bereid om niemand –een nobody– te zijn. Nu voel ik me een nobody, dacht ik, maar de Heere zegt toch: juist voor nobody’s ben Ik gestorven, om hen tot somebody’s te maken.”

Ook de laatste jaren in Hongarije waren moeilijk, schrijft u op uw website.

„Het ging jarenlang heel goed met het werk in Oost-Europa. Ik weet nog dat een oude Hongaarse predikant bij de opening van ons zendingsinstituut zei: „Wat is óns instituut mooi geworden.” Ik was een van hen geworden. Maar misschien ging het wel té goed. Dan treden er in Oost-Europa allerlei mechanismen in werking –vaak voortkomend uit jaloezie– die langzaam het werk steeds onmogelijker maken. Ik heb daardoor veel problemen gehad, al heb ik inmiddels ook een beetje geleerd dat het sop de kool vaak niet waard is. Het blijft voorzichtig manoeuvreren. Daar kwam bij dat ik het de laatste jaren ook fysiek zwaar had, met een rugoperatie, een nekhernia en twee heupoperaties. Maar ook het ziekenhuis kan een zendingsterrein zijn.”

Bent u daardoor veranderd?

„Het was een periode waarin ik moest leren om de zwakste te zijn: zing maar een toontje lager, durf maar van anderen te ontvangen. Nu bevind ik me op een nieuwe plek, met nieuwe mogelijkheden. Maar het werk is nog altijd hetzelfde. Voor mij is het belangrijkste dat wij deel mogen uitmaken van Gods zending. Het gaat er niet om dat we van alles regelen en organiseren, het gaat ook niet om resultaten en hoeveelheden bekeerlingen. Het gaat erom dat we luisteren naar wat de Heere zegt, dat we kijken waar Hij aan het werk is, en ons dan afvragen: Kan ik met mijn gaven daar iets aan bijdragen?”

Levensloop Anne-Marie Kool

Prof. dr. Anne-Marie Kool (Oud-Alblas, 1957) studeerde theologie en vertrok in 1987, onofficieel namens studentenorganisatie IFES, naar Hongarije om als promovendus de Hongaarse zendingsgeschiedenis te bestuderen. Ze verdedigde haar proefschrift in 1993 in Utrecht en werd datzelfde jaar door de GZB als zendingswerker uitgezonden naar Hongarije. In 1997 volgde haar benoeming tot hoogleraar missiologie, een functie die ze sindsdien aan verschillende hogescholen en universiteiten in Oost-Europa heeft vervuld. Sinds 2015 werkt ze onder verantwoordelijkheid van het Evangelisch Theologisch Seminarie in Osijek, Kroatië.