Met bezieling spreken over de ziel

De kerk is bij uitstek de plaats waarin de aandacht voor en het spreken over de ziel geoefend wordt. beeld Wikimedia

Voor velen is het bestaan gereduceerd tot materie. Kunnen we in deze tijd nog spreken over de ziel?

In ons dagelijks spraakgebruik kunnen we maar moeilijk afscheid nemen van het woord ”ziel”. Je kunt denken aan de woorden ”bezieling” en ”ontzield” en aan de spreekwoordelijke uitdrukkingen ”met hart en ziel” of ”op zijn ziel trappen”. Al deze uitdrukkingen ten spijt leven we in een wereld die lijdt aan een kwaal: zielsvergetenheid. Dit woord is een variant op het woord ”Seinsvergessenheit”, dat de filosoof Martin Heidegger eens gebruikte. Daarmee bedoelde hij dat de mens de vraag naar zijn eigenlijke zijn vergeten is en dus ook niet meer stelt. Daar zijn in deze tijd minstens drie redenen voor aan te wijzen.

Allereerst: de wereld waarin we leven, zet ons aan tot manifesteren. Het uiterlijk telt, prestaties wekken aanzien, status geeft macht. Die aandacht voor de buitenkant gaat zomaar ten koste van de aandacht voor onze innerlijke wereld.

Vervolgens: in onze geseculariseerde maatschappij is het spreken over de ziel problematisch geworden. Voor velen is het leven niet meer dan het lichaam en is het bestaan gereduceerd tot enkel materie. Voor de ziel is geen plaats.

Ten derde: in de wetenschap is het spreken over de ziel problematisch. De neurowetenschap toont op allerlei manier aan dat wetenschappelijk onderzoek (het spreken over) de ziel overbodig maakt. Deze wetenschap vindt in gepopulariseerde vorm een uitweg, bijvoorbeeld in Dick Swaabs boek ”Wij zijn ons brein”. Deze trefzeker gekozen en klinkende titel is voor velen een mantra geworden.

Ondertussen is er wel een methodologische wissel omgegaan. Slechts de empirisch waarneembare werkelijkheid kan object van onderzoek en nadenken zijn. In dit perspectief past geen spreken over de ziel. Echter, uit het feit dat de ziel geen biologische categorie is, geen fysieke eigenschap die bewezen kan worden, kan niet geconcludeerd worden dat de ziel niet bestaat. Wetenschappelijk kan trouwens evenmin bewezen worden dat er alleen fysieke categorieën bestaan.

Kunnen we nog spreken over de ziel? Het kan ons helpen wanneer we bedenken dat het spreken over de ziel tot een andere categorie behoort dan het spreken over de rede of het lichaam. De ziel is geen ding, zoals een auto of een fiets dat is. Wie de ziel in het spreken over de mens principieel uitsluit, vervalt tot een verplatting. De mens wordt een wát, en is dan geen wíe meer (Gerard Visser). Waar dat toe leidt, heeft de geniale verteller Franz Kafka eens beeldend beschreven. In een van zijn parabels vertelt hij over een man die op een dag ontdekt dat hij een gedaanteverandering heeft ondergaan. Van een mens is hij een kever geworden. Geleidelijk ontwaart hij de consequenties van deze metamorfose. De hem zo vertrouwde wereld heeft een totaal andere betekenis gekregen. De gedaanteverandering heeft niet alleen hemzélf veranderd, maar ook de werkelijkheid om hem heen. Omdat hij zelf klein geworden is, is alles om hem heen veel groter. De belangrijkste verandering is echter dat hij de ruimte niet meer als ruimte kan beleven. De kamer waarin hij zich bevindt, is gereduceerd tot een vlak geheel, vanwege het ontbreken van hoogte en diepte. Klein als hij is, beweegt hij zich letterlijk ‘oppervlakkig’ voort. Uiteindelijk gebeurt waarvoor hij vreest: hij wordt vertrapt en weggegooid als vuilnis.

Voortbordurend op de parabel van Kafka is het goed te beseffen dat er sprake is van een ”existentieel tekort”, wanneer wij het spreken over de ziel categorisch uitsluiten. Terwijl onze cultuur getekend wordt door een totalitair oppervlaktedenken, waarin alles tot grijpbaar en hanteerbaar object geworden is, tot onze diepste gevoelens toe, zijn er plaatsen waarin de aandacht voor en het spreken over de ziel geoefend wordt. De kerk (vanouds gebouwd met het oog op onze ziel!) is daarvoor de plaats bij uitstek. Daar belijden wij immers een God Die hart heeft voor deze wereld. Daar spreken wij over Jezus, Die mensen niet behandelt als kwantificeerbare objecten, maar als levende zielen. Daar geloven wij in de Heilige Geest, Die een werkelijke relatie op gang brengt tussen Christus en een zondaar. Daar wordt verwondering geboren en gevoed vanwege de onbegrijpelijke bewogenheid van God. Wij zijn méér dan onze buitenkant. Het meest wezenlijke van de mens valt niet te analyseren of te objectiveren, maar wil aangesproken worden. Laat de kerk daarom de plaats zijn waar bezield gesproken wordt over Hem Die onze ziel liefheeft!

De auteur is predikant van de hersteld hervormde Victorkerk in Apeldoorn. In Weerwoord worden antwoorden gegeven op vragen over het christelijk geloof.