Kerkelijk protest tegen ”foute” voorgangers bleef vaak uit

„De Gereformeerde Kerken waren tijdens de bezettingsjaren actiever in het verzet dan bijvoorbeeld de Nederlandse Hervormde Kerk en de bevindelijk gereformeerde kerken.” Foto: Zierikzee tijdens Dodenherdenking. beeld RD, Henk Visscher

Het protest van de kerken tegen de Duitse bezetter is uniek te noemen, maar vooral de Nederlandse Hervormde Kerk deed weinig tot niets tegen NSB-voorgangers en -gemeenteleden, betoogt drs. Henk Tijssen.

Prof. dr. Jan Bank en dr. Bettine Siertsema vinden dat de kerken in Nederland het er in de Tweede Wereldoorlog niet slecht van af gebracht hebben. Zij hebben samen geprotesteerd tegen de deportatie van Joden (RD 19-1).

Amsterdam_Verzetsmuseum__2__webGezamenlijk protest Nederlandse kerken in oorlog „uniek”

In zijn algemeenheid gesproken hebben de kerken zich tijdens de bezettingsjaren verzet tegen de ”Endlösung”, het plan van nazi-Duitsland voor de systematische genocide op het Joodse volk in Europa. In die zin kan gezegd worden dat ze het er niet slecht van af hebben gebracht. Toch was er verschil in houding.

De Gereformeerde Kerken (voornamelijk en met nadruk degenen die rond de Kampense prof. dr. K. Schilder stonden) waren actiever in het verzet dan bijvoorbeeld de Nederlandse Hervormde Kerk en de bevindelijk gereformeerde kerken. Dat kwam doordat de Nederlandse Hervormde Kerk vóór de Tweede Wereldoorlog geen censuurmaatregelen nam tegen het NSB-lidmaatschap, wat de Gereformeerde Kerken wel deden. Onder meer die censuurmaatregelen hebben ertoe geleid dat veel kerkleden die enige sympathie hadden voor de NSB geen lid van die beweging werden.

Evangelie en Volk

In de periode tussen de twee wereldoorlogen en in de bezettingsjaren was in Nederland de interkerkelijke Orde van getuigen van Christus actief. Die was in 1934 opgericht door baron G. J. K. van Lynden van Horstwaerde, een actief en vooraanstaand man binnen de inwendige zending van de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze orde hield tijdens de bezettingsjaren (vooral vanaf eind 1941) door het hele land wijdingsdiensten onder de naam Evangelie en Volk. Op die bijeenkomsten waren voornamelijk christelijke NSB’ers. Het doet niettemin enigszins bevreemdend aan als een voorganger in Het Nationale Dagblad (NSB) aangekondigd wordt als „kameraad dominee.”

In eerste instantie hield men de wijdingsdiensten een aantal dagen per jaar (met name rond Kerst), maar vanaf 1942 hield men ze zo veel mogelijk elke zondag. De reden was dat NSB-leden zich niet geaccepteerd voelden in de bestaande kerken en naar een alternatief zochten. Men kwam ook niet bij elkaar in kerkgebouwen, maar in bijvoorbeeld Odeon in Hilversum, het beursgebouw in Alphen aan den Rijn of het Van Abbe-museum in Eindhoven. Duidelijk mag zijn dat de reguliere kerkbezoekers lieten blijken de NSB-kameraden en -kameraadskes te verafschuwen.

Overigens wilde Evangelie en Volk nadrukkelijk geen tegenkerk zijn en ook geen nieuwe afgescheiden kerk. Opmerkelijk is dat liturgie en liturgische vernieuwing voor deze groep een belangrijk item vormden. In die zin stond men met beide benen in de ”nieuwe tijd”.

Voorgangers

De bij de Orde van getuigen van Christus aangesloten predikanten en godsdienstonderwijzers kwamen voor het grootste deel (zo’n 70 procent) uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij kregen versterking van enkele doopsgezinde predikanten (onder anderen A. A. Sepp), voorgangers uit de vrije evangelische kring (onder anderen A. Breet) en baptisten, zoals G. Bouritius en de opwekkingsprediker J. A. Monsma. Laatstgenoemde, die tijdens de bezetting in Rotterdam preekte (in de hbs aan de ’s-Gravendijkwal), was na de oorlog actief als redacteur van Het Zoeklicht van Johannes de Heer. Hij sprak ook op diens begrafenis.

Sommige hervormde predikanten, zoals B. Dagevos uit het Zeeuwse Baarland, legden aan het begin van de bezetting hun ambt neer en gingen alleen nog in de wijdingsdiensten van Evangelie en Volk voor. Anderen, zoals de populaire Amsterdamse predikant L. C. W. Ekering en W. Th. Boissevain, bleven predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk en spraken op hun ‘vrije’ zondagen voor Evangelie en Volk. Boissevain stierf net na de Bevrijding in het Groningse Marum en Ekering werd in 1945 geschorst en later veroordeeld door het Amsterdamse Tribunaal. Opmerkelijk genoeg legde het kerkbestuur hun tijdens de bezetting hoegenaamd niets in de weg. Wel hadden zij last van leegloop bij hun ‘normale’ kerkdiensten. Bij Boissevain in Leiden zaten op een gegeven moment nog zo’n zestig mensen.

Rafelrandjes

Weer andere voorgangers van Evangelie en Volk, zoals de hervormde godsdienstonderwijzer A. J. Mast uit Hilversum, waren door de week op een ”foute” manier actief voor de politie/Sicherheitsdienst. Van Lynden van Horstwaerde en de hervormde predikant J. R. J. Schut schopten het tijdens de bezetting zelfs tot burgemeester van respectievelijk Baarn en Sneek.

Het protest van de gezamenlijke Nederlandse kerken tegen de Duitse bezetter is zeker uniek te noemen. Maar er zaten dus wel rafelrandjes aan. Want waarom deed met name de Nederlandse Hervormde Kerk voor en tijdens de bezetting weinig tot niets tegen ”foute” voorgangers en gemeenteleden?

De auteur is docent economie en burgerschap aan het Hoornbeeck College in Kampen en buitenpromovendus aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is bezig met een onderzoek naar ”Christelijk-Nationalisme en ‘Christelijk’ Nationaal-Socialisme in de Nederlandse Hervormde Kerk (1917-1945)”.