Gedeelde genmutatie geen bewijs voor evolutietheorie

beeld iStock

In een omgeving waar bepaalde genen nutteloos zijn, gaan ze door mutaties verloren. Dat is precies het tegengestelde van wat de evolutietheorie nodig heeft.

„De gereformeerde gezindte heeft met de evolutietheorie een probleem”, vindt Pieter Rouwendal (RD 12-10). Rouwendal doelt daarmee op de neodarwinistische evolutieleer. Deze leer gaat ervan uit dat alle genetische informatie en instructies stapsgewijs en door selectie in de loop van miljoenen jaren zijn ontstaan. Door genmutatie zou het DNA steeds rijker zijn geworden. Wie bekend is met de biologische feiten weet dat het zo niet kan zijn gegaan. Immers, het overgrote deel van genmutaties is destructief of licht negatief. Deze mutaties zullen de informatie in het genoom langzaam maar zeker vernietigen.

2019-10-12-OPN1-vogels-7-FC-V_webHet probleem is groter dan de evolutietheorie

Dubbel

Dit feit is door de moderne wetenschap uitvoerig gedocumenteerd. De bekende geneticus John Sanford bracht in 2006 zijn boek ”Genetic Entropy” uit, waarin hij aantoont dat de informatie in de genomen van seksueel voortplantende organismen alleen maar kan vervallen. Dit komt omdat seksueel reproducerende organismen alle informatie dubbel hebben. Ze krijgen dezelfde set genetische informatie van vader en moeder. Alle genen zijn dus tweevoudig aanwezig en er staat geen selectiedruk op afzonderlijke genen. Dat betekent dat, wanneer er inactiverende mutaties optreden, deze niet kunnen worden weggeselecteerd. De fouten worden namelijk niet door natuurlijke selectie opgemerkt, want er is een back-up. Darwins selectietheorie klinkt heel plausibel, maar gaat dus niet op voor genomen waarbij alle informatie een back-up heeft.

Ik schreef hierover een boek dat in 2009 werd gepubliceerd onder de titel ”Terug naar de Oorsprong”. De biologische gegevens en waarnemingen die ik presenteerde, tonen niet alleen de beperkingen van de selectietheorie, maar weerleggen ook een universele gemeenschappelijke afstamming. Met andere woorden: de biologische data weerleggen de twee belangrijkste pijlers van wat bekend staat als de evolutietheorie.

Een van de biologische problemen die Rouwendal aanvoert, is de waarneming dat mensen en mensapen precies dezelfde mutatie in het vitamine-C-gen hebben. Bij zowel de mens als de mensaap is dit gen defect. Door grote genoomonderzoeken van het afgelopen decennium weten we dat een groot deel van de mutaties in bepaalde posities in een gen plaatsvinden. Dat noemen we hotspot-mutaties. Het blijkt dat 10 tot 15 procent van alle mutaties op hotspots terechtkomen, een waarneming die niemand had verwacht. In de genomen van mens en rhesusaap namen onderzoekers zelfs waar dat mutaties onafhankelijk van elkaar op precies dezelfde plaatsen voorkomen en zo een illusie van gemeenschappelijke afstamming wekken. In 2007 publiceerden Royal Truman en ik een artikel waarin we aantoonden dat de desbetreffende mutaties in het kapotte vitamine C-gen zulke hotspotmutaties kunnen zijn. Deze mutaties zijn dus geen bewijs voor evolutie, het betreft hotspot-mutaties die onafhankelijk van elkaar optraden.

Het tweede punt dat Rouwendal als probleem ziet, is het feit dat vogels nutteloze genen voor tanden bezitten. Het betreft genen die tandglazuur zouden kunnen produceren als ze nog functioneel zouden zijn. Deze genen zijn echter defect, net als het vitamine-C-gen. De twee voorbeelden van Rouwendal zijn gelijkwaardig, bij beide gaat om het verlies van genetische informatie. Vroeger konden vogels dus tanden hebben, maar nu niet meer. De genen met genetische code zijn kapot of epi-genetisch geïnactiveerd.

Flessenhals

Vraag blijft waarom deze genen bij alle vogels kapot zijn. Het is wetenschappelijk aangetoond dat alle vogels - zoals alle organismen - door een genetische flessenhals gingen in een niet al te ver verleden. Blijkbaar bleven daarna alleen vogels over met kapotte genen, waarvan we de restanten nu nog in het genoom kunnen waarnemen. Deze genetische flessenhals kennen we uit Genesis: de ark van Noach. Alle vogels stammen van een kleine populatie overlevers. De enige juiste conclusies die we op basis van alle biologische gegevens mogen trekken, is dat genomen vervallen en dat de variatie vroeger veel uitbundiger en uitgebreider was.

In een omgeving waar bepaalde genen nutteloos zijn, gaan ze door mutaties verloren. Genomen worden complexer naarmate we verder teruggaan in de tijd. Dat weerlegt de (neo-)darwinistische hypothese. Er zijn dus geen dwingende biologische redenen om die in het christelijke gedachtegoed te integreren.

Natuurlijk blijven er altijd observaties bestaan die heel goed in de evolutietheorie passen en op het eerste gezicht schepping zoals beschreven in de Bijbel lijken te weerleggen. Ik stel voor dat christelijke wetenschappers gaan samenwerken om alternatieve verklaringen te vinden voor zulke data. Uit eigen ervaring weet ik namelijk dat nadere biologische analyses altijd evenwaardige of betere alternatieven voortbrengen, die wel goed in het scheppingsmodel passen.

De auteur is moleculair bioloog.