De gastarbeiders bleven, maar nu is het anders

„De werkgevers nemen onvoldoende hun verantwoordelijkheid om de huisvesting van arbeidsmigranten lokaal in goede banen te leiden.” beeld ANP, Piroschka van de Wouw

De economie trekt aan en werkgevers zoeken weer over de grens naar personeel. Onze verzorgingsstaat is nu weerbaarder, sust Leo Lucassen de angst voor massa-immigratie. Betrek bedrijven wel bij de integratie.

Als we het aan de werkgevers overlaten en de overheid weigert om zelf de regie op zich te nemen, dan staat ons, net als een halve eeuw geleden, opnieuw een periode van massa-immigratie te wachten. Met als gevolg wijken waar niemand zich meer thuis voelt, het onderling vertrouwen wegebt en criminaliteit toeneemt. Aldus de oud-topambtenaar Ger Ebbeling (91) onlangs in NRC Handelsblad (30-8).

Reeds in het najaar van 1973 waarschuwde hij het net aangetreden kabinet-Den Uyl voor dit scenario. Achteraf kunnen we constateren dat zijn voorspelling, namelijk dat de werving van gastarbeiders uit Turkije en Marokko tot een grootschalige vestiging van migranten uit deze landen zou leiden, en tot sociale problemen, is uitgekomen.

Of de geschiedenis zich herhaalt als de regering haar beleid niet wijzigt, is echter zeer de vraag. Zoals Jan Lucassen en ik in ons onlangs verschenen boek ”Vijf eeuwen migratie” hebben laten zien, deed zich in de jaren zestig en zeventig namelijk een zeer bijzondere, en in de geschiedenis unieke, constellatie van factoren voor. Waar het vanaf de zeventiende eeuw de stand van de arbeidsmarkt was die bepaalde of en welke migranten zich aan de Nederlandse grens meldden, deed zich met de oliecrisis in 1973 iets anders voor. Terwijl de economie langzaam maar zeker in een langdurige recessie belandde, nam de migratie uit Turkije en Marokko als gevolg van gezinshereniging namelijk sterk toe, met als gevolg een massa-immigratie op een wel heel ongelukkig moment. Precies de omgekeerde dynamiek dus van die in de Gouden Eeuw.

Verzorgingsstaat

De belangrijkste factor was het na de oorlog opgebouwde stelsel van sociale verzekeringen. Gastarbeiders betraden namelijk niet alleen het territorium van de Nederlandse staat, maar door het betalen van allerhande sociale premies ook dat van de verzorgingsstaat. Net als andere werkenden bouwden zij zo rechten op voor pensioen, werkloosheidsuitkeringen en de WAO. Daar kwam bij dat de werkgevers hadden bedongen dat er geen rotatiestelsel (maximale verblijfsduur van twee jaar, om vestiging te voorkomen) kwam en confessionele partijen al rond 1960 het recht op gezinshereniging hadden vastgelegd. Het duurde echter tot in de jaren zeventig voordat migranten zich realiseerden welke rechten zij hadden verworven.

Paradoxaal genoeg leidde de mededeling van datzelfde kabinet-Den Uyl om de werving van gastarbeiders te stoppen en de grenzen te sluiten tot een grootschalige gezinshereniging. Veel Turken en Marokkanen realiseerden zich dat, als ze terug zouden gaan naar hun land van herkomst, ze in Nederland de deur gesloten zouden vinden en ze hun opgebouwde rechten in één klap zouden kwijtraken.

Sindsdien is er echter veel veranderd. Aan de ene kant is het voor EU-burgers gemakkelijker geworden om hier te werken, wat tot de komst van honderdduizenden Polen, Roemen en Bulgaren heeft geleid. Het zijn vooral deze nieuwkomers voor wie zich eenzelfde scenario opdringt. Ebbeling lijkt echter te vergeten dat de liberalisering van het vrije verkeer van personen binnen de EU gepaard is gegaan met het immigratieproof maken van de verzorgingsstaat. Vanaf de jaren negentig is die niet alleen versoberd, maar zijn de regels, zowel voor autochtonen als voor migranten, veranderd. Om recht te hebben op een (lage en kortdurende) werkloosheidsuitkering moeten migranten, net als hier geborenen, minstens 26 weken wit werken en buiten hun schuld werkloos zijn geworden. Migranten die in de bijstand terechtkomen, kunnen bovendien uitgewezen worden. Een tweede verschil met de periode van de gastarbeid is dat EU-burgers vrij in en uit kunnen reizen en zij dus geen opgebouwde rechten verliezen. Is er geen werk, dan keren zij vaak terug, wetende dat, als de economie weer aantrekt, zij opnieuw aan de slag kunnen. Tot slot werden gastarbeiders geselecteerd op laaggeschooldheid, terwijl Oost-Europeanen aanzienlijk hoger opgeleid zijn, en de culturele afstand tussen hen en ons bovendien minder groot is.

Welke regie?

Omdat onze economie groeit en er in bepaalde sectoren nauwelijks binnenlands aanbod is, groeide met name het aantal Polen de afgelopen tien jaar sterk, zonder dat het de lonen drukte. Vooral degenen die economisch succesvol zijn, vestigden zich permanent. Dat betekent niet dat er geen problemen zijn. Ebbeling heeft gelijk dat er meer regie moet komen. De vraag is alleen welke en met welk doel.

Doordat migranten uit andere EU-landen grotendeels dezelfde rechten hebben als Nederlanders is specifiek verplíchtend beleid vrijwel onmogelijk. Het probleem met de werkgevers is niet dat zij achter de schermen op ondemocratische wijze zouden lobbyen (de Polen en de Roemenen komen toch wel), maar dat zij onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen om de huisvesting van arbeidsmigranten lokaal in goede banen te leiden. Samen met de overheid zouden zij voorop moeten lopen om voor faciliterend beleid te zorgen, waardoor overlast door grote concentraties, overbewoning en huisjesmelkerij in (oude) wijken wordt tegengegaan.

De auteur is directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Dit artikel werd eerder geplaatst in NRC Handelsblad (4-9).