Cultuur gaat aan politiek vooraf

Essays Spruyt
„De Amerikaanse president George Washington schreef de Joden van Newport dat alle burgers vrijheid van geweten bezaten en door burgerlijke rechten en vrijheden gelijkelijk werden beschermd.” Foto: standbeeld van president Washington in de Amerikaanse stad Boston. beeld iStock
2

Is het zo dat democratie een vorm van beschaving is, en dat deelname aan het democratisch proces een beschavende en integrerende uitwerking heeft op de deelnemers? Of is het juist zo dat democratie een bepaald niveau van beschaving vooronderstelt?

De Joden van Newport, in de Amerikaanse staat Rhode Island, wisten niet hoe ze het hadden. Hun voorouders waren uit Spanje naar Amerika gevlucht en hadden er in 1658 een eigen gemeente gesticht. Nu, eind achttiende eeuw, vormden ze een gemeenschap van zo’n 300 mensen en hadden ze zwaar geleden onder de burgeroorlog die tot het ontstaan van de Verenigde Staten had geleid.

In 1787 had het nieuwe land een Grondwet gekregen, en de eerste president, George Washington, stond op het punt Newport te bezoeken. De leider van de Hebreeuwse Congregatie, Moses Seixas, schreef op 17 augustus 1790 een brief aan Washington. Klopte het, zo vroeg hij zich verwonderd af, dat de nieuwe regering, de nieuwe president en de nieuwe Grondwet religieuze vrijheid en burgerlijke gelijkheid voor allen zouden brengen, ook voor de Joden? En dat Amerika daarmee het eerste land zou worden dat niet door een koning, een potentaat of een despoot zou worden geregeerd, met alle gevolgen die dat vaak had gehad voor de positie van de Joden als religieuze en omstreden minderheid?

President Washington antwoordde binnen een dag. Hij dankte de Joodse gemeente voor haar goede wensen en kon haar geruststellen. Alle burgers bezitten vrijheid van geweten en worden door burgerlijke rechten en vrijheden gelijkelijk beschermd, zo schreef hij. Tolerantie is geen kwestie van toegeeflijkheid, maar een natuurlijk recht. Het enige wat de nieuwe regering van haar burgers vroeg, was dat zij zich als goede burgers zouden gedragen. Burgers moeten rechten en vrijheden verdienen voordat ze die kunnen genieten.

Moraal en geloof

Deze brief van Washington, die nog ieder jaar in de synagoge van Newport in een publieke ceremonie wordt voorgelezen, wijst vooruit naar een uitspraak van de tweede president van de Verenigde Staten, John Adams. In een brief aan een groep officieren wees hij erop dat moreel verval nooit door een regering kan worden gecorrigeerd. „We hebben geen regering die bewapend is met de macht die nodig is om de slag te leveren met de menselijke passie die niet door moraal en geloof wordt gebreideld. Zonden breken door de strengste touwen van onze Grondwet, zoals een walvis door een visnet. Onze constitutie is alleen gemaakt voor een ethisch en gelovig volk.”

Een Grondwet en een democratische rechtstaat veronderstellen dus een bevolking die goed is opgevoed, goed onderwijs heeft genoten en op een verantwoorde wijze met haar rechten en vrijheden weet om te gaan.

Op deze gedachte is de Amerikaanse staat gebaseerd. Alsof de opstellers van de Grondwet Blaise Pascal hadden gelezen, stelden zij dat de mens engel noch beest is. We zijn hoogst ambivalent, en moeten dus leren onszelf en onze macht te controleren.

Hoopvol

Aan deze fundamentele noties, vastgelegd in de brieven van Washington en Adams en in de grootse Federalist Papers (een reeks van 85 artikelen over de Amerikaanse Grondwet), moest ik denken toen ik kennis nam van een nieuwe en interessante publicatie over de Nederlandse politiek. De auteur, Marcel ten Hooven (1957), is een vriend en oud-collega. In de perstoren van het Binnenhof bewoonden wij ooit dezelfde etage. Ten Hooven werkte toen voor Trouw. Inmiddels publiceert hij als freelance journalist grote, altijd lezenswaardige essays in bladen als De Groene Amsterdammer. In hypes is hij nooit geïnteresseerd geweest; wel in de dieper liggende vragen, die in de politiek vaak worden verhuld, maar soms ook aan de oppervlakte komen.

Dit boek, ”De ontmanteling van de democratie”, komt voort uit „zorg en ergernis”. De democratie wordt overal ondermijnd – door Trump in de VS, door het brexitreferendum, door het populisme overal in Europa. Als we de democratie willen redden, moeten we niet praten over vormen en stelselwijzigingen, maar over achterliggende ideeën, aldus Ten Hooven. Democratie vereist namelijk een houding waarin mensen met elkaar rekening houden en verscheidenheid accepteren. Het democratisch proces is dus een vorm van beschaving. Het vraagt om het behendig kunnen combineren van politiseren en pacificeren.

Ten Hooven presenteert zich als een optimist. „Uiteindelijk blijf ik ondanks zorg en ergernis wel hoopvol. Ons stelsel deugt.” Blijkbaar is hij van mening dat ons stelsel zelf ons zal corrigeren en opvoeden tot goede democraten.

In het verlengde van dit optimisme staan recente uitspraken van Ten Hoovens geestverwant Hans Goslinga, politiek commentator van Trouw.

Goslinga verwelkomde de nieuwe partij DENK in ons politieke bestel omdat deze partij, net als de SGP, door deelname aan het democratisch proces zal gaan integreren in onze samenleving. De SGP heeft zich ontwikkeld van een „theocratische, systeemvijandige partij” tot een constructieve kracht, en dat zal ook met DENK gebeuren, dankzij de beschavende werking van deelname.

Te optimistisch

In het licht van de wijsheden die ik uit de mond van de eerste Amerikaanse presidenten optekende, is dit al te optimistisch. In het oude Griekenland, de bakermat van de democratie, zagen ze al dat het democratisch proces op zich een speelbal van charismatische populisten kon worden, en dat democratie alleen goed kon functioneren wanneer aan belangrijke culturele voorwaarden was voldaan. Vooraf. Het proces zelf voorziet niet in het fundament dat het nodig heeft.

Graag zou ik net zo optimistisch als Ten Hooven en Goslinga willen zijn. Gewoon doormodderen, geduld hebben en de zegenrijke uitwerking van democratie afwachten. Ik moet mijn hoop stellen op een nieuwe bewustwording en op het herstel van het onderwijs. En ondertussen loop ik het gevaar net zo chagrijnig te worden als George Washington, die ooit verzuchtte dat „een van de grote kwaden van een democratie is dat een bevolking eerst moet voelen voordat ze het gaat zien”. Maar juist ook daarom blijft optimisme een morele plicht.