Column: Inkomensongelijkheid voedt ongelijkheid in geluk en wantrouwen

Een vergelijking tussen 25 OECD/OESO-landen over de periode 1990-2015 laat zien dat inkomensongelijkheid gepaard gaat met grotere verschillen in het geluk dat mensen beleven. Foto: de Deense kroonprinses Mary tijdens de opening van een OECD-forum in Parijs, in april 2018. beeld AFP, Ludovic Marin.

In de westerse landen neemt de inkomensongelijkheid al jaren toe. Deze trend is het zichtbaarst in de Verenigde Staten. Maar ook in de meeste Europese landen neemt de ongelijkheid toe. Bijvoorbeeld in Engeland, Duitsland en zelfs Zweden.

Nederland vormt op deze trend een gelukkige uitzondering, alhoewel ook hier op verschillende manieren de ongelijkheid toeneemt. Zo groeit in Amsterdam de kloof tussen arme en rijke inwoners. Daarnaast staat Nederland bekend om zijn hoge ongelijkheid in vermogen.

Deze trend roept de vraag op hoe schadelijk inkomensongelijkheid is voor de samenleving. Een van de mogelijke effecten is dat meer inkomensongelijkheid tot meer verschil in geluk leidt. Economen gaan ervan uit dat meer inkomen mensen gelukkiger maakt. Dat zou betekenen dat meer inkomensongelijkheid tot meer verschil in geluk leidt. Maar omdat het effect van inkomen op geluk afneemt naarmate mensen rijker zijn, is het maar de vraag hoe sterk het effect van inkomensongelijkheid op verschil in geluk is.

Adam Smith, de vader van de economische wetenschap, meende zelfs dat, als het om het echte geluk gaat in het leven, de rijken het niet veel beter hebben dan de armen: „Deze laatsten genieten ook van hun aandeel in de productie die het land oplevert. In wat het echte geluk uitmaakt, zijn zij in geen enkel opzicht minder dan hen die zo veel meer lijken te hebben. In gemak en innerlijke vrede zijn al de verschillende lagen van de bevolking bijna op hetzelfde niveau, en de bedelaar die van de zon geniet aan de kant van de weg bezit de zekerheid waar koningen voor vechten.” Als Adam Smith werkelijk gelijk heeft, kun je je afvragen hoe erg het is als de inkomensongelijkheid toeneemt. Zolang mensen maar beschikken over het minimale levensonderhoud, hoeft hun geluk niet al te zeer te worden aangetast.

In een recent onderzoek, verschenen in de Journal of Happiness Studies (in het kader van het project ”What good markets are good for”, zie moralmarkets.org) laten wij zien dat Adam Smith hierin toch te optimistisch was. Een vergelijking tussen 25 OECD/OESO-landen over de periode 1990-2015 laat zien dat inkomensongelijkheid gepaard gaat met grotere verschillen in het geluk dat mensen beleven. Een van de verklaringen voor dit verschijnsel is dat het geluk van mensen niet alleen afhangt van hun eigen inkomen, maar ook van het inkomen dat anderen genieten. Wanneer het verschil in inkomen met rijkere mensen groter wordt, heeft dat een negatief effect op hun eigen geluksbeleving, zelfs als hun eigen inkomen niet afneemt.

Gelijkheid in inkomen en gelijkheid in geluk zijn van grote ethische waarde, omdat ze bijdragen aan rechtvaardige verhoudingen in de samenleving. Maar daarnaast zijn zij van belang voor de economie. In het eerdergenoemd onderzoek laten wij namelijk zien dat een toename in ongelijkheid in geluksbeleving het vertrouwen tussen mensen doet afnemen. Daarnaast vonden wij dat inkomensongelijkheid direct negatief inwerkt op vertrouwen. Mensen die door groeiende ongelijkheid gemarginaliseerd raken, verliezen hun vertrouwen in de samenleving en de politiek. De frustratie die ongelijkheid in inkomen en geluk teweegbrengt, voedt daardoor het geweld in de samenleving. Hier zullen ook mensen die het beter hebben minder vertrouwen hebben in anderen, zodat het wantrouwen zich breder verspreidt.

Uiteindelijk heeft dit ook gevolgen voor de economie. Niet voor niets wordt vertrouwen door economen ook wel sociaal kapitaal genoemd. Als mensen elkaar vertrouwen, is er meer bereidheid om met elkaar samen te werken. Samenwerking is in een markteconomie van groot belang om welvaart te creëren. Als je een andere persoon kunt vertrouwen, zul je eerder bereid zijn om een deal te sluiten dan wanneer het onzeker is wat je precies van de ander krijgt. Vertrouwen betekent immers dat je bereid bent om je kwetsbaar op te stellen in de relatie met de ander, in de verwachting dat de intentie van degene van wie je je afhankelijk maakt positief is. Een ondernemer zal bijvoorbeeld eerder geneigd zijn om een nieuwe zaak te openen in een andere stad als hij of zij erop kan vertrouwen dat de manager die aangesteld wordt om de zaak te bestieren betrouwbaar is.

Om een samenleving en mensen te laten opbloeien, kunnen wij daarom niet zonder vertrouwen. Een van de grote uitdagingen waar westerse landen voor staan, is daarom het keren van de trend van groeiende ongelijkheid, om zo de basis voor vertrouwen en een florerende samenleving te versterken.

Johan Graafland is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan Tilburg University. Deze column kwam tot stand in samenwerking met Bjorn Lous. Reageren? rubriekforum@refdag.nl