Column: Genuanceerd denken over inenten

Vaccinatie
beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

We mopperen weleens op het aantal politieke partijen dat ons land rijk is. Een meerderheid vinden voor besluiten is een hele puzzel. Maar, dat mag ook gezegd worden, er valt wel iets te kiezen. Heel erg tegen het klimaat, een beetje tegen het klimaat, een beetje voor het klimaat, heel erg voor het klimaat; voor elke smaak is er een partij. Er is één onderwerp waar we ondanks alle partijen maar één variant van kennen: heel erg vóór inentingen. Ik ken tenminste geen partij die heel erg tegen inentingen is, of een beetje tegen. Misschien zou je de christelijke partijen ervan kunnen verdenken dat ze maar een klein beetje voor inenten zijn, maar dat is dan omdat ze tegen overheidsdwang zijn. Niet omdat ze tegen inentingen zijn. Toch is mijn schatting dat zo’n 10 procent van de bevolking vragen heeft bij het nut van inentingen. Wie vertegenwoordigt hen?

Voor ik van wal steek één ding. Ik ben geen expert op dit terrein. Neem deze column dus vooral niet serieus als het u niet zint. Toch zou ik er niet trots op zijn als ik me zou opsluiten in mijn eigen wetenschappelijke vierkante centimeter.

Laten we eens beginnen met de mazelen. U hebt vast weleens voorgelezen uit het kinderboek ”Pluk van de Petteflet” van Annie M. G. Schmidt. Als alle Stampertjes de mazelen krijgen, vertelt de dokter op televisie dat de mazelen een onschuldige kinderziekte is. Maar volgens onze minister-president is de mazelen nu een verschrikkelijke ziekte. Waarom was dat in 1971, toen de eerste druk van ”Pluk van de Petteflet” verscheen, anders? Het antwoord is te lezen op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM): „Toen vaccinatie werd ingevoerd in 1976 was de sterfte in Nederland al gedaald tot enkele gevallen per jaar.” Vergelijk dat eens met 1908, het jaar waarin mijn opa werd geboren: toen stierven er 1576 kinderen aan de mazelen.

Wat blijkt dus? Toen in 1976 de mazelenvaccinatie werd ingevoerd, was de kindersterfte door de mazelen al exponentieel afgenomen. Waardoor? Experts zijn het erover eens dat betere hygiëne en betere voeding de hoofdredenen hiervoor zijn. Je ziet dat ook bij verschillende andere infectieziektes, zoals difterie en kinkhoest. In het begin van de vorige eeuw nam de sterfte enorm af, met uitzondering van de periode rond de wereldoorlogen. Juist omdat toen voeding en hygiëne weer even in het slop raakten. Net als bij mazelen waren bij difterie en kinkhoest de sterftecijfers al erg laag op het moment dat er een vaccin beschikbaar kwam. Een uitzondering op deze regel lijkt polio te zijn. Na de introductie van het vaccin treedt direct een daling op in het aantal sterfgevallen.

Uit deze gegevens kun je van alles concluderen. En ook niet concluderen. Allereerst: dat er nu zo weinig kinderen aan infectieziektes overlijden, is niet in de eerste plaats te danken aan vaccins. Zijn vaccins dus niet effectief? Dat is te kort door de bocht. Ingeënte kinderen zullen niet snel mazelen krijgen. Maar dan is het nog steeds de vraag of er door de prik minder kinderen overlijden. Op deze vraag zullen we waarschijnlijk nooit een glashelder antwoord krijgen, vooral omdat er al zo weinig kinderen stierven aan infectieziektes toen de vaccinaties begonnen. Bovendien was er dankzij betere voeding en hygiëne al een dalende trend zichtbaar.

De vraag of vaccinaties altijd nodig zijn, is dus gerechtvaardigd. Typisch een onderwerp waarover discussie mogelijk is. Waarom moeten ouders die hun kinderen niet laten inenten het zo vreselijk ontgelden? Zij doen in elk geval minder kwaad dan ouders die hun kinderen slechte voeding geven of te weinig laten bewegen.

Ik zie uit naar politici met een genuanceerd oordeel over vaccinaties. Die een beetje voor of een beetje tegen inenten zijn. Als hun gevraagd wordt naar hun mening over inenten, antwoorden zij met twee dingen: „We leven in een tijd waarin er grotere risico’s zijn voor de volksgezondheid dan infectieziektes.” En: „Ouders die hun kinderen niet laten inenten, zal ik nooit in de kou laten staan.”

De auteur is hoogleraar toegepaste MR fysica aan de Universiteit van Amsterdam en werkt als klinisch fysicus bij de afdeling radiologie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam.