Breng vaklessen dicht bij kern christelijk onderwijs

„Vorming en vakinhoud hebben heel veel met elkaar te maken.” Foto: docent Theo Post legt geregeld een verbinding tussen zijn vak scheikunde en geestelijke zaken. beeld Sjaak Verboom

Het leggen en versterken van verbindingen tussen vakinhoud, vorming en christen-zijn is een cruciale opgave voor scholen en docenten, reageert Piet Murre.

Vol belangstelling las ik het artikel ”Scheikunde met een hoofdletter” (RD 24-11). Het vertelt hoe docent Theo Post geregeld een verbinding legt tussen zijn vak scheikunde en geestelijke zaken: het weerkeren tot stof, bekering die energie kost.

Als oud-scheikundedocent en lector didactiek en schoolvakken ben ik geïnteresseerd in het versterken van de verbindingen tussen vakinhoud, vorming en christen-zijn. Dat is een cruciale opgave voor scholen en docenten, want zo ontstaat een plek waar horizontale en verticale lijnen elkaar kruisen in de lessen en de levens van leerlingen. Ik onderstreep dan ook dat vorming en vakinhoud heel veel met elkaar te maken hebben.

De christelijke identiteit kan ook op andere wijzen tot uitdrukking komen: in de christelijke rituelen, zoals de dagopening; in expliciet christelijke onderdelen van het rooster, zoals het vak godsdienst en het aanleren van de catechismus; in onverwachte gouden momenten, waarop een docent sensitief moet inspelen; via het gedrag en de persoon van de leerkracht.

Dat alles is nodig en mooi. Het laat echter onverlet dat het grootste deel van de tijd op school zit in de vaklessen. Om recht te doen aan de calvinistische notie dat we met ons hele leven voor Gods aangezicht staan, moeten we lessen dicht bij de kern van het christelijk onderwijs brengen. Naast de beschreven les van Post wil ik drie andere mogelijkheden leggen om dit te bewerkstelligen.

Voedingsbodem

De eerste mogelijkheid zit in de aanvliegroute die je als docent neemt om onderdelen van het ‘gewone’ lesprogramma aan de orde te stellen. Een hoofdstuk over licht start vaak bij een spiegel, een lens of iets dergelijks. Het kan ook starten bij het samen met leerlingen ervaren van licht en kleur. Je kunt leerlingen laten meemaken wat het is om continu door een lens van min 8 de wereld in te kijken, maar niets te zien. Daarmee ontstaat wellicht meer empathie met slechtziende mensen, die een enorm probleem hebben en geholpen zouden zijn met een bril. Het leggen van een expliciete link met christelijke deugden als barmhartigheid en medelijden ligt dan voor de hand. Leerlingen zullen vervolgens ook eerder geïnteresseerd zijn in de meer technische kant van de zaak: hoe lenzen precies werken.

De aanvliegroute bij bestaande lesonderdelen kan dus bevorderen dat leerlingen verbindingen zien met hun houding tegenover anderen en de wereld om zich heen. Zo kan het scheppen van een voedingsbodem voor leren samengaan met het vormen van leerlingen in christelijke zin.

Christelijke motieven

Een andere mogelijkheid is het aanboren van biografieën. In ieder vakgebied zijn er mensen geweest die het vak vooruit hebben geholpen, hebben geholpen drempels over te gaan, nieuwe dingen hebben ontdekt.

Het is verrassend om te lezen hoe dat gegaan is. Voor welke moeilijkheden stonden ze en hoe zijn ze daardoorheen gekomen? Onverwacht vaak waren dit christenen, die zich in hun bezig zijn lieten leiden door christelijke motieven.

Die motieven kun je als docent naar voren halen in je les, aan de hand van een stukje van hun leven. Het kan heel leerzaam zijn voor leerlingen om mee te beleven wat de lastige dilemma’s zijn geweest. Als ze meemaken hoe volharding en verbazing vaak hebben geleid tot verwondering en vreugde, kan dat vervolgens ook bij hen gebeuren.

Levensvragen

De derde optie waarmee vakinhoudelijke lessen dicht(er) bij expliciet christelijke vorming kunnen komen, is het maken van bewuste keuzes in de leerstof en de didactiek. Volg daarin niet slechts het boek.

Voorbeelden zijn er te over. Je kunt het bij Duits hebben over een idool van nu of over Luther. Je kunt bij Engels een tekst gebruiken die bedelaars laat zien als mensen, of die juist stigmatiserend is. Leerlingen kunnen daardoor ook gewoon woorden en uitdrukkingen leren en kennis opdoen van de taal.

Een stapje verder gaat het nadenken over de lesdoelen. Gaat het bijvoorbeeld alleen om ik-gerichte taal („Ik kan een brood kopen”) of ook om op de ander gerichte taal („Hoe help je in het Frans iemand die gevallen is?”)? In het vmbo maakt ”fictie” deel uit van het programma Nederlands en hoort kennis van land en samenleving bij de moderne vreemde talen. Gebruik vooral korte, goedgekozen stukjes die levensvragen of thema’s aansnijden die passen bij de leerlingen die je op dat moment om je heen hebt.

Ten slotte heb je naast vakinhoudelijke keuzen ook nog didactische keuzemogelijkheden. Bevorderen de gebruikte werkvormen het tot ontplooiing komen van gemeenschapszin en het zoeken van het beste voor de ander? Of wordt eerder een competitieve of individualistische houding aangekweekt? Dit type overwegingen kun je met enige regelmaat ook delen met je leerlingen.

Met deze drie mogelijkheden kunnen vakinhoud, didactiek en vorming expliciet vanuit een christelijke levensovertuiging ingevuld worden. Dat vraagt vakkennis, moed, studiezin en creativiteit.

Het is niet fair om te verwachten dat een docent hier elke les uitgebreid over nadenkt. Maar het is hierbij net als met een gewoonte: met regelmaat bezig zijn, alleen of samen, zorgt voor een gezond patroon.

De auteur is lector didactiek en schoolvakken aan Driestar educatief.