Alleen ruime Evangelieprediking keert ons van de zonde af

Volgens de Schotse theoloog Thomas Chalmers brengt niets zoveel heilige mensen voort als een ruime Evangelieprediking. beeld iStock
2

Voor veel christelijke jongeren (en ouderen) is het geloof geen vanzelfsprekende zaak meer. Laten we de Heere daarom smeken om een heroriëntatie op Christus en de beleefde gemeenschap met Hem, gewerkt door Zijn Geest.

De gereformeerde gezindte bevindt zich in een crisis. Dit blijkt tenminste wel wanneer we de artikelen over de refojeugd volgen die de laatste tijd in het RD verschijnen. Voor veel reformatorische jongeren is het geloof geen vanzelfsprekende zaak meer. En bovendien is het voor hen geen probleem om te schakelen tussen een seculier en een Bijbels wereldbeeld. Hoe moeten we met deze crisis omgaan? Ik zou graag, in alle bescheidenheid, hiervoor een aantal handreikingen willen doen.

Aangeboren verlangen

Hoe overtuig je iemand ervan dat hij de wereld niet moet liefhebben? Deze vraag stelt de Schotse theoloog Thomas Chalmers (1780-1847) in een beroemd geworden preek over 1 Johannes 2:15 („Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem”).

Het probleem is, zo stelt Chalmers, dat wij als mensen een aangeboren verlangen hebben om in bepaalde dingen op te gaan. Dit kan een verslaving zijn, maar ook een hobby, ons werk of zelfs de kerk. Niemand zal zomaar stoppen om zijn aandacht aan iets te geven, tenzij hem iets beters of mooiers wordt voorgespiegeld. Het heeft dan ook geen enkele zin, zegt Chalmers, om mensen op te roepen tot het verlaten van de wereld, wanneer hun niets beters wordt aangeboden. Alleen de verkondiging van het Evangelie heeft volgens hem de kracht in zich om ons de zonde te doen vlieden. Niets brengt zoveel heilige mensen voort als een ruime Evangelieprediking: „Hoe ruimer het Evangelie, hoe meer heiligend het is.”

Hoe kunnen wij jongeren ervan overtuigen dat zij hun smartphone verantwoord moeten gebruiken en dat Netflix geen goed medium is om je tijd mee te vullen? Alleen door hun iets mooiers voor te houden en hun te vertellen over de onuitsprekelijke liefde van Christus en de heerlijkheid van een leven met God. Zolang hun verlangen naar de dienst van de Heere niet wordt opgewekt, heeft het geen zin om te waarschuwen tegen de zonde.

Vreugde in God

Hoe zou het toch gekomen zijn dat zoveel christelijke jongeren (en ouderen!) de zonde zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden? Zou de reden niet zijn dat het ruime Evangelie, waar Chalmers over spreekt, zo ruim niet meer verkondigd wordt, in de kerk en in het gezin?

Waarom zijn velen van ons zo huiverig geworden voor een ruimhartige nodiging tot het heil en een vurige aansporing om tot Christus te komen en Hem te omhelzen? We belijden toch dat „door de vermaningen de genade wordt medegedeeld” (Dordtse Leerregels 3/4.17). Het is juist door middel van het gebod tot geloof en de nodiging tot het heil dat de Heere kracht aan de ziel schenkt om tot Hem te komen (William Guthrie).

Eens had ik een gesprek met een klas op een reformatorische school. Ik sprak met hen over de noodzaak tot bekering, waarop de leerlingen zeiden: „Waarom zouden we ons leven opgeven? We genieten er toch van?” Ik heb toen het volgende voorbeeld gebruikt: Stel je eens een bedelaar op een vuilnisbelt voor. Hij is nog nooit in een fatsoenlijk huis geweest. Op een dag mag hij bij de koning komen, in zijn paleis. Daar aangekomen roept hij uit: „Ik wist niet dat er zoiets moois bestond!”

Of dit voorbeeld bij de leerlingen iets achtergelaten heeft, weet ik niet, maar dat het indruk maakte, weet ik wel. Laten we daarom vooral veel spreken over de heerlijkheid van Christus en de vreugde in God. Natuurlijk is het belangrijk om kinderen en jongeren te waarschuwen voor de gevaren van de zonde, maar laten we bedenken dat zij de zonde nooit zullen verlaten als ze de schoonheid van Christus niet zien.

Heilig leven

Het tweede dat ik wil noemen, is dit: Hoe kunnen we onze kinderen vertellen over de heerlijkheid van Christus als we zelf geen gemeenschap met Hem hebben, of als deze slechts af en toe wordt beleefd? En is dit niet juist ook een pijnpunt binnen de kerk?

Wat betreft het leven met God kunnen we veel leren van de Engelse puritein Richard Sibbes (1577-1635). Sibbes beschrijft het geloofsleven als een cirkel. Wanneer we zien op Christus en over Hem mediteren, zullen we uit Hem de Heilige Geest ontvangen, en worden we als vanzelf vernieuwd naar Zijn beeld. Wanneer we zien op Jezus, schenkt de Geest ons de vruchten van het geloof én doet Hij ons temeer op Christus zien; en zo worden we ook steeds meer vervuld van de Geest.

Wie Christus omhelst, zegt Sibbes, wordt vervuld met kracht om heilig te leven voor God. Want wie eenmaal de liefde van Christus heeft gesmaakt, wil niets liever meer dan in die liefde blijven. We moeten niet verwachten dat onze kinderen liefde krijgen voor de Heere en Zijn dienst als we die liefde zelf niet of nauwelijks beleven. Het is van het allergrootste belang dat zij zien hoe het is om dagelijks te wandelen met God en voortdurend te rusten in de armen van Christus.

Verenigd gebed

We moeten ons in de derde plaats realiseren dat we niet hebben te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6:12). Beseffen we nog welke concrete geestelijke machten schuilgaan achter de verleidingen die op ons afkomen? Zijn we ons ervan bewust dat de duivel een leger engelen heeft dat ons op allerlei manieren probeert aan te vallen? Als we onze vijand niet kennen, bestaat het gevaar dat we hem met verkeerde middelen bestrijden. „Dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten”, zegt Jezus (Mattheüs 17:21).

Verstaan we het belang van een vurig verenigd gebed nog wel? In een van zijn brieven schrijft Robert Murray McCheyne (1813-1843) over het belang van gebedssamenkomsten in de gemeente. Hij wijst erop dat „niemand een kind van God kan zijn zonder een leven van verborgen gebed; en geen christelijke gemeenschap kan in een levendige toestand zijn zonder verenigd gebed.” Zijn advies is vervolgens om geregeld in groepjes van vier of vijf gelovigen bijeen te komen en samen de Heere te smeken om Zijn Geest.

Als dit beoefend werd, zouden we dan geen zegen mogen verwachten? Christus Zelf heeft het immers aan Zijn Kerk beloofd: „Wederom zeg ik u, indien er twee van u samenstemmen op de aarde over enige zaak die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen” (Mattheüs 18:19-20). Laten we de Heere smeken om een heroriëntatie op Christus en de beleefde gemeenschap met Hem, gewerkt door Zijn Geest. Alleen zo kunnen we de satan weerstaan.

De auteur is docent Engels en godsdienst.