Herman Paul: Zingen boven ziekte en angst uit

Prof. dr. Herman Paul. beeld RD, Anton Dommerholt
2

„We hoeven het manna niet op te potten”, aldus Herman Paul. De boodschap van twee Britse theologen die benadrukken dat God een God van overvloed is, bleef de hoogleraar bij toen hij vlak voor de kerstdagen van 2015 te horen kreeg dat hij een zogeheten brughoektumor in zijn hoofd heeft.

Hij komt op de fiets naar de afspraak bij een brasserie aan het Valkenburgse Meer. Vlug, vriendelijk en voorkomend is hij, blijkt al in de eerste minuut. En duidelijk. Prof. dr. Herman Paul, bijzonder hoogleraar secularisatiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent geschiedfilosofie en historiografie aan de Universiteit Leiden, zoekt een tafeltje uit, neemt plaats en begint: „Zullen we afspreken dat we twee uur met elkaar praten?”

Het gesprek heeft plaats een week voordat zijn nieuwste boek ”De slag om het hart. Over secularisatie van verlangen” verschijnt. Het is zijn tweede boek dit jaar, in het voorjaar verscheen ”Secularisatie. Een kleine geschiedenis van een groot verhaal”. Beide boeken zijn vruchten van het onderzoek dat hij namens missionaire organisatie IZB en zendingsorganisatie GZB aan de Groningse universiteit doet. Het is werk voor de kerk, stelt de 39-jarige hoogleraar. „Ik heb altijd graag iets voor de kerk gedaan. Zo ben ik lange tijd missionair ouderling in de protestantse Marekerkgemeente in Leiden geweest. Vijf jaar geleden ben ik in Groningen begonnen met een leerstoel die een brug tussen wetenschap en samenleving moet leggen. Mijn onderzoek moet in de kerk bezinning, onderwijs en reflectie stimuleren.” Om die reden geeft prof. Paul regelmatig cursussen aan predikanten.

Een missionair ouderling en een hoogleraar secularisatiestudies kijken elk naar een andere kant van één medaille, lijkt me.

„Missionair werk lijkt weleens op het voorkómen van secularisatie. Maar zelf zie ik dat niet zo. Omdat ik als geschiedfilosoof ben opgeleid, treft het mij vaak wat voor historische verhalen er schuilgaan achter wat mensen secularisatie noemen. Vaak hoor je dat het vroeger goed was en dat het nu minder gaat en dat de toekomst er nog zorgelijker uitziet, tenzij wij nu de handen uit de mouwen steken. Bij dat spreken over secularisatie plaats ik vraagtekens. Welk mensbeeld zit daarachter? Wat voor wanhopig activisme spreekt hieruit, als mensen impliceren dat wij de secularisatie moeten tegenhouden? Als ik op zondag in de kerk zou horen dat de deuren waarschijnlijk spoedig zullen sluiten, weet ik niet of ik de volgende zondag nog wel kom. Secularisatieverhalen hebben dus iets van een selffulfilling prophecy. Het is niet om het even wat voor verhalen wij vertellen.”

Wij moeten dus andere verhalen gaan vertellen in de kerk, dan komt het vanzelf weer goed.

„Dat is te kort door de bocht. De kerk is niet de enige leverancier van verhalen in de samenleving. Maar het heeft wel iets tragisch als de kerk zo spreekt over secularisatie dat ze mensen daardoor onbedoeld van zichzelf vervreemdt. Het zou bovendien goed zijn als we er in de kerk van doordrongen raken dat we niet per se aan de goede kant van de streep staan. De secularisatie zit in ons hart.

Ik ben niet de enige met die mening. Woorden die je tegenwoordig nogal eens hoort zijn: discipelschap, karaktervorming, navolging. Het zijn thema’s die wat mij betreft suggereren dat kerkgangers ook zelf beseffen dat hun leven nogal seculariseert en dat ze behoefte hebben aan vorming.

Veel christenen ervaren een kloof tussen de zondag en de maandag. Wat zegt dat over ons gedrag, over wat ik belangrijk vind? Geloven is als het goed is een vertrouwen op God dat je hele leven kleurt. Dat moet ons vertrouwen op onze gezondheid, ons geld, onze sociale status overstemmen. Een begrip als verlangen stelt ons in staat om na te denken over hoe wij als mensen in een consumptiemaatschappij voortdurend worden geprikkeld. Die invloed zit niet primair op het niveau van de ideeën, maar op een veel dieper level. Gelukkig kent de kerk praktijken die ons verlangen sturing geven.”

Maar ons verlangen staat toch altijd haaks op wat God van ons verlangt?

„Ik geloof dat de mens is aangelegd op God. Zoals Augustinus zegt: onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God. Door de zonde zijn we echter andere dingen gaan verlangen.”

Hoe krijg je dat verlangen naar God boven tafel?

„Dat komt bij Hem vandaan. Maar tegelijk hoef je daar niet op te wachten. Er is een weg van middelen: de prediking, de sacramenten en het zingen van liederen van verlangen, zoals Psalm 42 en 84. Je kunt je dat verlangen inzingen.”

Is dat uw eigen ervaring?

„Het zingen in de kerk tilt mij vaker op boven de aardse beslommeringen dan het horen van een preek. Luther had daar een verklaring voor: als je zingt, gaat het verlangen van de psalmdichter in je eigen hart meeresoneren. Ik ben niet snel geëmotioneerd in de kerk, maar als ik het ben, is dat altijd bij het zingen.

Ten tweede kan een ruimte zoals een kerk mij ook optillen. De symboliek, het lijnenspel, de aansporing door de kerk der eeuwen. Daardoor wordt mijn verlangen gevormd.”

Wat ziet u daar van God in?

„Zijn grootheid, Zijn almacht. Het loopt Hem niet uit de hand. Ik heb tijdens mijn studententijd in Groningen het liedboek leren zingen. Gezang 1 is een dierbaar gezang voor mij: „God staat aan het begin en Hij komt aan het einde. Zijn woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin.” Dit lied zegt iets over Gods trouw en macht. Als je de krant leest, kun je depressief worden van alles wat er misgaat, maar toch leidt Hij het zo dat Zijn rijk zichtbaar gaat worden. Het kwaad, het onrecht, de middelmatigheid hebben niet het laatste woord.”

Twijfelde u ooit aan Gods bestaan?

„Die twijfel had ik niet zo. Ik heb me er wel in verdiept, maar nooit gedacht dat daar de beslissende keuze moest vallen, ook al kan ik veel raadsels niet oplossen. Wat voor mij belangrijker is geweest, is het gevoel van: je zit in de kerk, bent gelovig opgevoed, houdt van God, maar wat is het vaak lauw.

Ik was als student onder de indruk van hoe prof. dr. Bram van de Beek daar in zijn boeken een stem aan durfde te geven, aan die interne secularisatie.

Ieder jaar herlees ik een preek van K. H. Miskotte over Lukas 22, het gedeelte waar Christus zegt: „Satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.” Miskotte schetst dan het beeld van de jongeren die moe en mat zijn geworden, het ook niet meer weten. Hij kleurt de twijfel die hij daarin leest heel modern in, en ik vind het bevrijdend dat dit in de kerk mag worden uitgesproken. En dan komt het vervolg: „Ik heb voor u gebeden...” Het houvast ligt in God.”

De meeste wetenschappers geloven niet.

„Een van de voordelen van het werken aan een universiteit is dat je gesprekken kunt voeren met mensen die het boeiend vinden dat je hoogopgeleid kunt zijn en in God kunt geloven. Ik ontdekte dat er veel misvattingen over God en christenen bestaan.

Sinds ik anderhalf jaar geleden te horen heb gekregen dat ik ziek ben, beginnen alle gesprekken met collega’s steevast daarover. Ik heb vaak moeten uitleggen dat ik niet geloof dat God me ziekt maakt, dat Hij geen tumorcellen uitdeelt aan mensen, maar dat de kerk gelooft in Zijn almacht en voorzienigheid en belijdt dat het leven veel meer is dan de jaren die we hier op aarde doorbrengen.”

Hoe gaat het nu met u?

„Vorig jaar ben ik bestraald en ik hoop binnenkort te horen hoe dat heeft uitgepakt. Ik voel me goed en heb er het afgelopen jaar kunnen zijn voor mijn gezin en mijn werk kunnen doen. Al ben ik wel mijn gehoor aan één kant verloren.”

Hoe was het om zo’n boodschap te krijgen?

„Ik hoorde dat vlak voor de Kerst van 2015. Toen ik naar huis fietste, flitste het onwillekeurig door mijn hoofd: „Bestelle dein Haus, denn du wirst sterben”, uit cantate BWV 106. Er was geen enkele reden om te denken dat ik zou sterven, maar zo’n primaire angst overvalt je dan wel. Er is nog veel onduidelijk, ook voor de langere termijn. Ik ben dankbaar dat ik er tot nu toe heb kunnen zijn voor ons gezin met twee jonge kinderen. En hoe dat over tien jaar zal zijn, tja...”

Wat doet die gedachte met u?

„Het maakt vreemde dingen in je los. Mijn eerste impuls was om medische literatuur te gaan lezen om enigszins houvast te krijgen: wat is dit voor ziekte? De dienst op kerstavond in de Marekerk was heel emotioneel.

In de maanden hieraan voorafgaand was ik voor de IZB bezig met het thema discipelschap, in het bijzonder met twee Britse theologen –David Ford en Samuel Wells– die allebei op hun eigen manier beklemtonen dat God een God van overvloed is. We hoeven niet bang te zijn voor een dreigend tekort, maar we mogen improviseren in het vertrouwen dat Gods goedertierenheid elke morgen nieuw is.

Dat hielp me enorm; het gaf me taal en woorden aan iets wat ik niet kon uitspreken.”

Mensen roepen snel dat het onrechtvaardig is als je jong ziek wordt.

„Dat gevoel heb ik nooit gehad. Wel het besef dat het niet vanzelfsprekend is dat je 87 wordt.

God wil ons vormen door voor- en tegenspoed. Het is onmiddellijk mijn gebed geworden: „Laat me groeien in vertrouwen op U door deze dingen heen. Geef dat het niet tussen U en mij in komt te staan. Ook het onbekende land van het ziekenhuis wil ik met U betreden.”

Dat is improviseren. Je kunt natuurlijk boos worden of proberen alles uit het leven te halen...” Na een korte stilte: „Ik heb daar een klein beetje aan toegegeven en ben naar het Concertgebouw gegaan, omdat ik wist dat ik waarschijnlijk aan één kant doof zou worden. Dus nog één keer een mooi concert. Maar dat voelde erg ongemakkelijk.”

Waarom?

„Omdat je aan het bevestigen bent dat het nu nog goed is en straks niet meer. Hoewel het concert prachtig was, is het belangrijker om te ontdekken dat verlies niet alleen gemis inhoudt, maar dat het ook weer deuren opent: een leven dichter bij God of een onverwacht gesprek op je werk. Dat ontvang je.”

En Bach?

„Bach is nooit ver weg. Toen mijn klasgenoten voetbalden, zat ik achter het orgel. Zijn muziek is verknoopt geraakt met belangrijke momenten in mijn leven. De lofprijzing en de broosheid liggen heel dicht bij elkaar in zijn werk.

Een orgelwerk dat me dierbaar is, is BWV 715: ”Allein Gott in der Höh’ sei Ehr”. Een lied uit de diepte over God Die redt uit angst en nood, een stuk vol dissonanten. „... und Dank für seine Gnade”, gaat het dan verder. Dat tilt me boven de angst van kerkverlating en ziekte uit.

Als we hier door de polders fietsen, zingt mijn oudste dochter al een hele medley aan christelijke liedjes die ze kent. De jongste brabbelt mee. Ik hoop dat die lofzang in hun leven mag blijven klinken als cantus firmus, de leidende stem.”

Levensloop Herman Paul

Prof. dr. Herman Paul (1978) studeerde geschiedenis en filosofie in Groningen en promoveerde in 2006 op een geschiedfilosofisch onderwerp. Sinds 2007 doceert hij historiografie en geschiedfilosofie aan de Universiteit Leiden. In 2012 kwam daar een bijzondere leerstoel secularisatiestudies bij, aan de Rijksuniversiteit Groningen, vanuit de missionaire organisaties IZB en GZB. Herman Paul woont in Leiden en is getrouwd met dr. Esther Jonker, in het dagelijks leven beleidsadviseur aan de Hogeschool Leiden. Het stel heeft twee dochters in de leeftijd van 4 en 2 jaar.