Verzameld werk Van Ruler: Kritiek op bevinding uit betrokkenheid

Een mijlpaal voor het verzameld werk van A. A. van Ruler. Twee banden van het vierde deel werden gisteren overhandigd aan dr. J. Hoek, dr. H. C. van der Sar en dr. E. P. Meijering. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

KAMPEN – De hervormde theoloog A. A. van Ruler (1908-1970) heeft in het laatst van zijn leven het bederf van bevinding fel bestreden omdat dit het bederf van het beste is. Degenen die zich zo graag op bevinding willen beroepen, doen er goed aan in zijn spiegel te kijken. Van Ruler blijft tot aan het eind van zijn leven positief-kritisch over bevinding spreken en zijn pleidooi voor positieve geloofservaring verdient navolging.

Dat betoogde prof. dr. J. Hoek gisteren in Kampen tijdens de presentatie van het vierde deel van het verzameld werk van A. A. van Ruler, handelend over ”Christus, de Geest en het heil”. „Net zoals er continuïteit is in Van Rulers kritiek op aspecten van bevinding, is er continuïteit in zijn waardering daarvan. Het is niet zo dat Van Ruler eindigde in vervreemding van de bevinding. Hij blijft tot het einde toe pleitbezorger van katholiek-gereformeerde bevinding.”

Prof. Hoek, bijzonder hoogleraar gereformeerde spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) in Kampen, onderscheidde drie fasen in het denken van Van Ruler over bevinding: een kritische fase, een positieve fase (waarin bevinding voor hem een onmisbaar element is) en een positief-kritische fase waarin hij waarschuwt voor overbelichting van bevinding als „voedingsbron voor ketterijen.” „Fase 1 komt wel in fase 3 terug, maar fase 3 heft fase 2 niet op.”

De kracht van de gereformeerd-katholieke bevinding is dat zij God centraal stelt. De God Die Zich openbaart en in de geschiedenis handelt, valt niet samen met onze innerlijkheid of met de grond van onze ziel. Het heilsfeit houdt een ‘plus’ boven de bevinding, die niet kan functioneren zonder kerk, Bijbel en sacramenten. God en mens zijn bij Van Ruler geen concurrenten. „Waar God op het hoogst verheerlijkt wordt, behoeft de mens nog niet op het diepst vernederd te worden. Concentratie op God betekent nog geen miskenning van de mens. Integendeel, zij betekent dat de mens op een zeer hoog plan wordt gezet voor Gods aangezicht.”

Bevindelijk leven bloeit bij Van Ruler op in de heiliging van het gehele leven. Ware bevinding betekent een dagelijks opstaan tot de vreugde als het centrale levensgevoel. Bij Van Ruler is deze vreugde „geen gemakkelijke of oppervlakkige vreugde”, aldus prof. Hoek. „Het is geen natuurlijk optimisme. Het is vreugde tegen de verdrukking in.”

Dr. D. van Keulen, die het verzameld werk van Van Ruler verzorgt en annoteert, gaf een toelichting op de inhoud van de twee nieuwe banden. Een belangrijk facet van zijn denken is dat Van Ruler de incarnatie als een noodmaatregel van God ziet om het probleem van de zonde en de dood te overwinnen. De incarnatie wordt in het laatste der dagen opgeheven. „Een uiterst speculatief idee, dat in feite het logisch vervolg is op Van Rulers gedachten over de incarnatie als een noodmaatregel.”

Hoewel het dogma van de predestinatie in Van Rulers theologie een belangrijk structuurprincipe is, heeft hij er weinig afzonderlijk over geschreven, aldus Van Keulen. In het verzameld werk zijn vijf teksten over de verkiezingsleer opgenomen, onder meer de ”leer van de uitverkiezing”, dat uit ongeveer 1941 dateert. Het is een van de omvangrijkste manuscripten uit het archief: 495 pagina’s handgeschreven tekst.

Uit talloze documenten in het archief blijkt dat Van Ruler jarenlang heeft gewerkt aan een boek over de pneumatologie. Sommige van deze voorstudies zijn heel bekend, zoals die over de structuurverschillen tussen het christologische en het pneumatologische gezichtspunt, „een van de origineelste theologische teksten die er in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland zijn geschreven”, aldus Van Keulen.

Dr. E. P. Meijering, emeritus lector theologie in Leiden, voerde een pleidooi voor klassieke, substantiële theologie. Hij hoopte op de oprichting van een predikantenvereniging ”Op gedegen studie”, een schertsende verwijzing naar de progressieve vereniging ”Op goed gerucht”. In de periode van 1945 tot 1970, waarin Van Ruler actief was, was Karl Barth dominerend. Van Ruler en G. C. Berkouwer waren de twee grote stoorzenders.

Van Ruler stond kritisch ten opzichte van Barth, maar deelde met hem de speelse, ironische manier van theologiseren. „Hun gedachte dat vrijzinnigheid vanzelf zou uitsterven is organisatorisch wel juist gebleken, maar inhoudelijk niet. De links-vrijzinnige geest is nog springlevend. Luister en kijk naar IKON en NCRV: daar gebeurt God in de intermenselijke communicatie. Als dit geen vrijzinnigheid is.”