Seculier Nederland valt over vrijheid van godsdienst

Kerk en corona
Archieffoto: Kerk aan Zee in Noordwijk. beeld RD, Henk Visscher

Seculier Nederland is boos over de uitzonderingspositie van de kerk in coronatijd en hekelt de vrijheid van godsdienst. „Waarom worden christenen anders behandeld? Ze moeten zich schamen.”

Het kan verkeren. Ruim tien jaar geleden verschenen er vanuit christelijk Nederland allerlei studies over de godsdienstvrijheid die bedreigd zou zijn, aan banden gelegd, enzovoorts. Religie was iets voor achter de voordeur, maar niet in het zogenoemde publieke domein. Wie te expliciet was in zijn religieuze uitingen, werd door de overheid teruggefloten. Orthodoxe christenen klaagden over te weinig vrijheid van godsdienst.

Nu lijken de rollen omgekeerd. De uitzonderingspositie voor bedehuizen –van kerken tot moskeeën– leidt tot veel irritatie en woede op sociale media. Waarom worden christenen anders behandeld? Ze moeten zich schamen, zo klinkt het soms.

Kritiek op de vrijheid van godsdienst is daarbij de rode draad. Het gaat concreet om artikel 6 van de grondwet (sinds 1815): „Iedereen heeft in Nederland het recht zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En de wet kan met betrekking tot de uitoefening van dit recht búíten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de (volks)gezondheid.

Geen privileges

De Nederlandse ontstaansgeschiedenis is onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van godsdienst, ooit bevochten tegen Spanje, zegt prof. dr. Sophie van Bijsterveld, hoogleraar religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit Nijmegen en oud-senator voor het CDA. „Kerken hebben een zekere autonomie, die niet gemakkelijk ingeperkt kan worden door de overheid. Dat is terecht. Maar die vrijheid vraagt wel bij de kerken wijsheid en verantwoordelijkheid om die goed in te vullen. Dat heeft ook betrekking op het faciliteren van kerkdiensten die voor de bezoekers veilig moeten zijn.”

De gevoeligheid in de huidige reacties op de vrijheid van de kerken heeft volgens prof. Van Bijsterveld vooral te maken met een aversie tegen echte of vermeende privileges. „Mensen accepteren niet makkelijk dat sommige clubs anders worden behandeld dan anderen. Of het nu kerken zijn of andere organisaties, maakt niet veel uit. Mede daarom heeft de casus Staphorst zo veel belangstelling gekregen. Er is een zekere verwachting dat kerken maatschappelijke verantwoordelijkheid en solidariteit uitstralen, ook al hebben zij strikt genomen meer vrijheden.”

Niet vanzelfsprekend

De maatschappelijke ophef op dit moment maakt duidelijk dat het recht op godsdienstvrijheid niet meer als vanzelfsprekend wordt gezien, zegt mr. dr. Teunis van Kooten, bestuurslid van het Centrum voor Religie en Recht in Amsterdam en advocaat. „Kerken hebben wat uit te leggen, al was het maar omdat inmiddels het gezegde ”onbekend maakt onbemind” opgaat voor het christelijk geloof en de kerkelijke verschijningsvormen daarvan. Veel mensen associëren kerken met misbruik, manipulatie en ander negatief nieuws waarmee sommige kerken ooit de media hebben gehaald.”

Kerken zouden op dit vlak volgens Van Kooten moeten nadenken hoe zij het beeld dat kennelijk van godsdienst bestaat –namelijk dat een eredienst een vergelijkbaar iets is als een theatervoorstelling of andere culturele zaken– kunnen bijstellen: leg uit waarom kerkdiensten in fysieke vorm zo levensnoodzakelijk zijn en dat dit ook dáárom die uitzondering rechtvaardigt.

De nieuwe aanscherping van de maatregelen waarbij er nauwelijks meer uitzonderingen zijn om van de max. 30-personen-binnen-regel af te wijken maakt het voor kerken nu wel lastiger om meer mensen toe te laten. „Daar waar eerst nog de vergelijking met concertzalen met ontheffingen en dergelijke kon worden gemaakt, gaat die nu niet meer op. Bovendien liggen kerken onder het vergrootglas van de media en politiek en dan is het risico groot dat dan de discussie weer oplaait om de uitzonderingspositie voor kerken te schrappen.”

„Geen reden tot kerkelijk zelfbeklag”

De overheid bedreigt onze geloofsvrijheid niet, maar waarborgt deze sterker dan volgens de grondwet strikt geboden is, vindt prof. Willem Ouweneel.

De evangelicale theoloog ergert zich aan de mensen die op sociale media roepen dat er sprake is van beknotting van de rechten van de kerk of zelfs godsdienstige vervolging, zo zegt hij. „Ik ben niet mopperig, maar juist dankbaar. We hebben enorme vrijheden als kerken. We mogen bijvoorbeeld alleen mannen op de kansel toelaten zonder dat de overheid ons voor discriminatie aanklaagt. En de overheid komt nergens binnen om te zien of de kerken zich wel aan de dertig bezoekers houden.” De overheid mag kerken wel beperken omwille van de volksgezondheid. „Niet het gelóóf wordt bedreigd, maar de vrijheid om dat geloof gezámenlijk te beleven, en dat niet omdat de overheid tégen de godsdienst zou zijn, maar omdat zij vóór de volksgezondheid is.”