Ontmoetingsdag Aalburg: de Herder van Psalm 23

beeld RD

David mocht zeggen dat de Heere zijn Herder is, aldus voorganger C. G. op ’t Hof zaterdag op de voorjaarsontmoetingsdag in Aalburg. „De Herder vroeg naar David. Vraagt die Herder ook naar ons?”

Op ’t Hof, woonachtig in Hardinxveld-Giessendam, is voorganger in enkele vrije gemeenten. Hij verving ds. A. Verschuure, die verhinderd was.

Een organiserend comité belegt in het voorjaar een ontmoetingsdag in Aalburg en in het najaar in Werkendam. Voorheen werden de ontmoetingsdagen gehouden in Almkerk.

Op ’t Hof sprak voor ongeveer veertig belangstellenden over Psalm 23, waar David zingt dat de Heere zijn Herder is en dat hem niets zal ontbreken. „David was een mens die nooit naar God gevraagd heeft. Ook wij vragen niet naar de Heere.”

In zijn verbondshoofd Adam wandelde de mens in de hof, stelde hij. „Daar mochten wij weide vinden. Er ontbrak ons niets. Maar wij hebben Hem niet in erkentenis gehouden. De grazige weiden hebben we verlaten. Wij wilden buiten die weiden eten. Nu eten en drinken we de zonde.”

David zong een psalm omdat God hem weer een weide gaf, zo zei Op ’t Hof. „Die Herder is opgestaan. Hij had een oog op David. Daarom mocht David zingen dat de Heere zijn Herder is.”

Als schaapherder diende David de kudde van zijn vader Hij zocht de beste weide en zeer stille wateren voor zijn kudde. „Zo weidt de grote Herder ook Zijn volk aan zeer stille wateren en mogen zij Zijn Woord eten en drinken”, aldus Op ’t Hof.

David bewaakte zijn kudde. Hij versloeg leeuw en beer om een lam uit hun muil te verlossen. „Zo rukt de Heere Zijn kinderen uit de klauwen van de satan.”

Verder stelde Op ’t Hof dat David als vrucht van de Geest getuigde dat hem niets zou ontbreken. „Zo mocht David achter de Herder aangaan. Hij verkwikte zijn ziel en wilde voor David een Herder zijn.”

In de middagbijeenkomst sprak de eerwaarde heer J. de Boer uit Rijnsburg over Jesaja 43, waarin het gaat over Israël dat kostelijk is in Gods ogen, hoewel het volk moest uitroepen onrein te zijn. De Heere zegt tegen het volk: „Vrees niet, want Ik heb u verlost. Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.”

De Boer: „De Heere verlustigt Zich in de zijnen. Hij heeft Zijn volk liefgehad. Dat is geen leugen, maar waarheid.”

God heeft Zijn volk toegeroepen dat er geen Heiland is, behalve Hijzelf. „Wat voor Israël geldt, geldt ook voor de heidenen”, zei De Boer.

De Heere keert Zich ook tegen Zijn volk. Het heeft Hem niet aangeroepen, niet geëerd en heeft Hem vermoeid met ongerechtigheden. „Toch zegt Hij: „Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg.” Het is een volk dat Hij zich geformeerd heeft en dat Zijn lof zal vertellen.”