Onfeilbare paus blijft achilleshiel van Rome

Het Eerste Vaticaans Concilie. beeld Herder Verlag, Freiburg
2

De paus in de Rooms-Katholieke Kerk noemt zich onfeilbaar. Niet als persoon, wel als hij ‘ambtshalve’ namens de kerk spreekt. Dat was de uitkomst van het (Eerste) Vaticaans Concilie in 1869/1870, dat deze maand precies 150 jaar geleden bijeengeroepen werd.

In de negentiende eeuw heerste er binnen Rome een structureel wantrouwen tegen alles wat nieuw en modern was en wat niet strookte met het leergezag. De kerk worstelde sinds paus Gregorius XVI (kerkleider tussen 1831 en 1846) met de erfenis van de Verlichting. In zijn encycliek ”Mirari vos” (1832) keerde hij zich tegen acceptatie van de moderne tijd en verzette hij zich tegen elke beperking van de kerkelijke macht.

Paus Pius IX (leider van 1846 tot 1878) stond aanvankelijk positief tegenover moderne ontwikkelingen, maar na de Revolutie van 1848 veranderde dat in een verdedigende en vijandige houding ten opzichte van de wereld en de moderne wetenschapsbeoefening. Hij was het die in 1854 het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria afkondigde. Tijdens zijn pontificaat vond er een geweldige opleving van de Mariaverering plaats, gekoppeld aan een politieke toespitsing: het eeuwige stond boven het tijdelijke, de kerkelijke macht boven die van de staat.

Aan de vooravond van Vaticanum I nam de invloed van het ultramontanisme toe. Dit woord is afgeleid van het Italiaanse woord ”ultramontana”, aan de andere kant van de bergen, over de Alpen. De kerk werd daarin gezien als een instantie onafhankelijk en boven de staat. Deze beweging ging uit van de kerk als een onafhankelijke gemeenschap, geordend boven de staat.

Het pausschap werd niet alleen gedragen door gewone rooms-katholieken uit alle landen, maar ook door jonge intellectuelen die in een krachtig pausschap de beste remedie zagen om de leegheid van de Verlichting en de chaos van de Revolutie te keren en in Europa orde, gezag en vrede te herstellen.

Tegenover het moderne rationalisme werd een pleidooi gevoerd voor een terugkeer naar de scholastiek, de filosofische methode gedurende de hoogtijdagen van de Middeleeuwen. De ”neoscholastiek” werd voor vele decennia de officiële leer van de kerk. Tijdens Vaticanum I werd het geloof gezien als een voor waar houden van waarheden die door de kerk zijn bemiddeld.

Onfeilbaarheid

Onder druk van politieke omstandigheden en de niet aflatende dreiging van het moderne denken besloot paus Pius IX tot het bijeenroepen van een concilie. Vanwege het bijeenkomen op de Vaticaanse heuvel wordt dit het Vaticaans Concilie genoemd. Later, na het Tweede Vaticaans Concilie, sprak men over dit concilie als het Eerste Vaticaans Concilie.

Spraakmakend tijdens Vaticanum I was vooral de dogmatische constitutie ”Pastor Aeternus”, waarin de pauselijke onfeilbaarheid werd geproclameerd. De kern van deze constitutie is het primaat van Petrus. Christus heeft „de voorrang van de rechtsbevoegdheid over de gehele Kerk onmiddellijk en direct aan de zalige apostel Petrus beloofd en verleend.”

De omstreden woorden over de onfeilbaarheid luiden dan als volgt: „Wanneer de bisschop van Rome met het hoogste leergezag (ex cathedra) spreekt, d.w.z., wanneer hij zijn ambt van herder en leraar van alle christenen uitoefenend met het hoogste apostolische ambtsgezag definitief beslist, dat een leer over geloof of zeden door de gehele Kerk gehouden moet worden, dan bezit hij op grond van de goddelijke bijstand, die hem in de heilige Petrus is beloofd, die onfeilbaarheid, waarmede de goddelijke Verlosser zijn Kerk bij definitieve beslissingen in zaken van geloofs- en zedeleer wilde zien toegerust. Deze definitieve beslissingen van de Bisschop van Rome zijn daarom uit zich (ex sese) en niet op grond van de toestemming der Kerk onveranderlijk (irreformabiles).”

Deze onfeilbaarheid wordt wel gebonden aan diverse voorwaarden, zoals de noodzaak dat de paus „ex cathedra” spreekt (officieel, niet een persoonlijke mening), en verder dat hij een leer verkondigt die betrekking heeft op geloof en moraal en die ook door het geheel van de kerk aangehangen wordt. Pausen kunnen dus niet naar willekeur uitspraken doen, maar definiëren wat „zij met Gods hulp hadden onderkend als in overeenstemming met Schrift en traditie.” Wel is het zo dat de paus de bisschoppen en de consensus van de kerk in wezen niet nodig heeft, omdat deze dan op dezelfde wijze geloofswaarheid zouden zijn.

Uit een recent verschenen boek van de Duitse theoloog Peter Neuner (”Der lange Schatten des I. Vatikanums. Wie das Konzil die Kirche noch heute blockiert”, Verlag Herder, Freiburg) blijkt hoe het onfeilbaarheidsdogma onder druk van paus Pius IX werd doorgevoerd. Er was wellicht sprake van een vrij concilie, in die zin dat iedereen uiterlijk de mogelijkheid had om zijn mening te geven. Maar er was geen dialoog met een kritische minderheid, aldus Neuner. „Aan beide zijden verschanste men zich achter hun eigen posities. Het dieper liggende grondprobleem was dat er meerderheidsbeslissingen werden genomen, niet op basis van een consensus. Daarom is het niet verwonderlijk dat de minderheid een probleem had met de besluiten.”

Vaticanum II

Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) bleven de krachtige uitspraken over het pauselijk primaat staan. De paus van Rome heeft bezit over de Kerk, juist krachtens zijn ambt als plaatsbekleder van Christus en herder over de gehele Kerk, „de volledige, hoogste en universele macht, die hij steeds vrij kan uitoefenen.” Paus en bisschoppen vormen zichtbare tekenen van eenheid. „De paus van Rome, als opvolger van Petrus, is het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid zowel van de bisschoppen als van de menigte van de gelovigen.”

De hervormde theoloog Karel Blei stelt dat er hoogstens een accentverschil met Vaticanum I is, in zoverre Vaticanum I sterk het gezag van het leerambt onderstreept, terwijl Vaticaan II het leerambt veel meer inbedt in de gehele kerk. Maar de onfeilbaarheidsdefinitie van 1870 wordt door Vaticanum II niet alleen vrijwel letterlijk overgenomen, maar ook extra geaccentueerd en uitvoeriger gemotiveerd.

Ook Neuner stelt dat Vaticanum II er met „pijnlijke zorgvuldigheid” voor gezorgd heeft dat de volmacht van de bisschoppen niet het pauselijk primaat zou ondergraven. „In de leer van het primaat ligt de schaduw van Vaticanum I zeer duidelijk over Vaticanum II.”

Volgens Neuner is er onder paus Franciscus wel een duidelijke ontspanning gekomen. Deze stelt tegenover het Vaticaans centralisme de cultureel veelkleurige wereldkerk, die ook het advies van regionale bisschoppensynoden nodig heeft.

Feit blijft dat een paus slechts één keer een ‘onfeilbare’ uitspraak gedaan heeft, namelijk toen paus Pius XII in 1950 het dogma van de tenhemelopneming van Maria afkondigde. In de huidige oecumene is de consensus gegroeid dat het primaat niet direct op de historische Jezus is terug te voeren. Er is binnen en buiten Rome een tendens om het pausdom te zien als dienst van eenheid aan de gemeenschap van alle christenen, ook de niet-katholieke.

Het instituut van de paus blijft een wezenlijk onderdeel van de ambtsopvatting van Rome. De dissident Hans Küng spreekt van de „achilleshiel” van Rome: uiteindelijk een gebrek aan geloof. De Heilige Geest bewaart de kerk, zegt Küng, maar mensen die de kerk vormen, kunnen dwalen. Küng werd in 1980 om zijn stelling van zijn doceerbevoegdheid ontheven, tot op de dag vandaag.

Heftig onweer tijdens voorlezen decreet

De uiteindelijke stemming over de onfeilbaarheid van de paus had veel voeten in de aarde. Paus Pius IX was niet geïnteresseerd in een compromis, stelt Bernward Schmidt in zijn recent verschenen boek ”Kleine Geschichte des Ersten Vatikanischen Konzils” (Verlag Herder, Freiburg). Op 13 juli 1870 was er een voorlopige beslissing: van de 601 stemgerechtigden stemden er 451 voor, 62 onthielden zich en 88 stemden tegen.

De paus ergerde zich, want hij ging uit van zo’n tien tegenstemmen. Hij oefende daarom druk uit voor de laatste stemming op 18 juli 1870. Kritische bisschoppen vreesden dat zij voor de keus stonden om óf het onfeilbaarheidsdogma te aanvaarden óf geëxcommuniceerd te worden. De meesten van hen verlieten daarom Rome op de avond van 17 juli. Op 18 juli 1870 stemden 533 van de 535 aanwezige concilievaders vóór. Volgens Schmidt zouden er meer tegengestemd hebben als de stemming geheim zou zijn geweest, maar dat aantal moet men niet overdrijven.

Toen Pius IX het dogma voorlas, brak er een enorm onweer uit en heerste er dikke duisternis in de aula. De paus moest het decreet bij kaarslicht voorlezen. Voor de bezwaarden een teken van Gods ongenoegen! Op 8 september in hetzelfde jaar veroverden de Italiaanse troepen de kerkstaat en zag de paus zichzelf als „een gevangene in het Vaticaan.” Het abrupt beëindigde concilie kwam niet meer samen.