Miskotte, aangevochten theoloog in wereld van lijden en ongeloof

Miskotte genoot van het kleine geluk. Hier met kleinkind in Voorst. beeld Leidse Universiteitsbibliotheek

Een „kunstenaar onder de theologen”, vaak manisch depressief, aangevochten door het lijden in de wereld en eigen ongeloof, enorm belezen in filosofie en letteren, aanhanger van Barth én Kohlbrugge.

Herman de Liagre Böhl, een (indirect) achterkleinkind van dr. H. F. Kohlbrugge, schreef een biografie over de „irreguliere” theoloog K. H. Miskotte. Het is meer dan een theologische biografie, schrijft Böhl in zijn boek ”Miskotte. Theo­loog in de branding, 1894-1976” (uitg. Prometheus, Amsterdam), dat woensdag werd gepresenteerd. Terecht, want Miskottes werk is nauw verweven met zijn complexe persoonlijkheid en zijn existentiële worsteling met het nihilisme van zijn tijd, de vloed van ongeloof en Godsverlating.

Miskotte, hoogleraar dogmatiek in Leiden, zette zich tijdens de oorlog in tegen het nazisme en was degene die Karl Barth introduceerde in Nederland. Hij had een haat-liefderelatie met de Hervormde Kerk. Böhl: „Als barthiaan stond hij kritisch tegenover kerkelijkheid en kerksheid, waarin hij sektarisme ontwaarde. Hij ergerde zich aan de burgerlijkheid van de Hervormde Kerk. Ook vond hij de houding van zijn kerk in oorlogstijd veel te slap.”

Onmiskenbaar was Miskottes originaliteit, die vooral lag in zijn kunstenaarsgaven, zijn taal en visionaire kracht. Van jongs af aan was hij geheel gericht op de beeldende kunst, muziek, film, literatuur en de natuur. Hij was een mens van paradoxen. Hij leed aan twijfel en ongeloof, was overmand door het lijden in zijn omgeving (hij verloor op één dag zijn vrouw en tweede dochter aan een voedselvergiftiging), in de wereld en de vraag waarom God al het lijden toeliet.

Böhl: „Hij was een veel aangevochtener, veel getergder mens dan velen van deze overtuigende prediker dachten. Hij hield dat alles echter voor zich, was daarin een onbegrepen Einzelgänger. Hij beleefde het wereldgebeuren intens, hij kon er kapot van zijn. Miskotte kon daarom misschien des te meer genieten van het kleine aardse geluk, samen met zijn (klein)kinderen.”

Complex

Zijn belangrijkste inspiratie heeft Miskotte geput uit vier theologen: Gunning, Kohlbrugge, Rosenzweig en Barth. Miskotte kreeg het gedachtegoed van Kohlbrugge vooral mee van de kant van zijn moeder. Hij wilde zelfs een proefschrift over Kohlbrugge schrijven. Kohlbrugges opvattingen vormden wel de aanleiding tot Miskottes dissertatie ”Het wezen der joodse religie” (1932), met name door Kohlbrugges uitspraak: „Als ge de Thora begrijpt, begrijpt ge de hele Bijbel.”

Böhl is indirect een achterkleinkind van Kohlbrugge, althans een nazaat via het eerste huwelijk van zijn grootvader. Hij heet ook Herman (met één n) Friedrich, zij het nu veranderd in Herman de Liagre Böhl. De Liagre is de naam van een van zijn overgrootmoeders. Böhl heeft ook het befaamde schilderij van Kohlbrugge geërfd dat dit jaar aan het Catharijneconvent in Utrecht is geschonken.

Böhl: „Kohlbrugge was door en door bevindelijk en dat was Miskotte ook. Miskotte ervoer zich schuldig als zondaar en voelde zich daarna ook weer gered. Ongeloof en geloof stonden naast elkaar, dat is typisch bevindelijk.”

Zelf is Böhl „niet gelovig.” „Ik kende Miskotte eerst niet goed, maar ik ben er niet gelovig door geworden. Ik vond vooral interessant hoe Miskotte bezig was met moderne literatuur, zoals Thomas Mann, Dostojevski, Kafka, Nietzsche. Als Miskotte door de bossen van Hattem liep, vereenzelvigde hij God met de natuur. Hij flirtte met het nihilisme, maar was bang dat hij door zijn gevoel van mystiek het geloof in God kwijtraakte. Zo werd hij vaak heen en weer geslingerd door uitersten en bleef hij een uitermate complexe persoonlijkheid, soms verguisd en onbegrepen, maar door anderen weer sterk bewonderd.”