Ds. Vinogradsky: Niet verslonden door de leeuwen

Ds. Daniïl Vinogradsky uit Oekraïne: „Elk volk heeft zijn eigen mentaliteit, elk individu zijn eigen karakter. Het mooie is dat mensen die tot God zijn bekeerd en van Hem een nieuw hart ontvingen, elkaar in Christus gelijk zijn.” Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Wegens zijn geloof belandde hij tot twee keer toe in de gevangenis. Het feit dat hij als voorganger een huisgemeente diende, werd hem door de communistische autoriteiten in de Sovjet-Unie zwaar aangerekend. Wat hij in de tijd van zijn gevangenschap voor onmogelijk hield, gebeurde ruim een kwarteeuw later: in alle vrijheid en met instemming van de overheid nam hij een nieuw kerkgebouw in gebruik. Ds. Daniïl Vinogradsky uit Oekraïne: „Toen ik voor de eerste keer binnenkwam, viel ik in verwondering op mijn knieën neer om God te danken voor zo veel goedheid.”

Zijn kleinkinderen in Genemuiden hebben speciaal voor hem de Oekraïense vlag gehesen. Regen en wind hebben het geel-blauw gestreepte doek bijna helemaal om de stok gevouwen, maar van strijken willen ze niet weten. Zolang hun opa, de 79-jarige ds. Vinogradsky, bij hen logeert, blijft de tweekleur in top. Eind maart keert de baptistenvoorganger terug naar zijn gemeente in Zjitomir, een stad van zo’n 300.000 inwoners in het noordwesten van Oekraïne.

De predikant houdt van Nederland. Zijn eerste contacten met christelijke hulpverleners hier dateren uit de jaren zeventig, toen de wereld werd beheerst door de Koude Oorlog en er in de verste verte geen zicht was op vrij verkeer tussen Oost en West. „Nederland is mij dierbaar”, zegt de voorganger. Hij knikt naar zijn dochter, Katya Ploeg-Vinogradskaya, die het gesprek vanuit het Russisch vertaalt. „Ik heb er twee dochters wonen. Hun mannen zijn mij als zonen.”

Lijkt de Nederlandse volksaard op die van Oekraïne?
„Dat kan ik moeilijk bepalen. Ik heb Nederland nu ongeveer tien keer bezocht en er alleen met christenvrienden gesproken. Wat mij aan hen elke keer weer opvalt, is hun hartelijkheid, oprechtheid en directe manier van doen.

Elk volk heeft zijn eigen mentaliteit, elk individu zijn eigen karakter. Het mooie is dat mensen die tot God zijn bekeerd, elkaar in Christus gelijk zijn. Zij vinden elkaar, ongeacht hun nationale en culturele afkomst.”

Heeft bekering invloed op het karakter?
„Ja, maar niet van de een op de andere dag. Wie een driftige natuur heeft en snel is aangebrand, moet groeien in geduld en zachtmoedigheid. Dat gaat niet vanzelf. Een goede vrucht is niet binnen twee dagen rijp. God kan iemands karakter bovendien gebruiken voor Zijn dienst. Zo heetgebakerd hij was voor zijn bekering, zo charismatisch is hij na zijn vernieuwing.”

Dat laatste wordt ook van u gezegd.
„Ik ben en blijf een cholerisch man, dat is zo. Ik kan bijzonder rechtstreeks zijn. Medewerkers van stichting Kom Over En Help hebben in de twintig jaar dat ik met hen optrek heel wat van mij te verduren gehad, haha.”

Een van hen zei dat u een man bent die altijd recht op zijn doel afgaat en niet loslaat voor hij succes heeft.
„Dat was zeker het geval toen ik jong was. Dat vurige, dat standvastige, dat heb ik van mijn moeder. Maar ik lijk ook wel op mijn vader. Hij was een loyaal, geduldig en empathisch man. U moet niet lachen om wat ik u nu ga zeggen. Mijn vrouw zei wel eens tegen me: Jij combineert het beste van je moeder met het beste van je vader.

Nu ik oud ben geworden en twee jaar geleden afscheid heb moeten nemen van mijn enige steun en toeverlaat in dit leven, mijn lieve vrouw, heb ik slechts één hoofddoel in mijn leven overgehouden: meer en meer te komen tot de gestalte die Paulus had toen hij schreef dat het leven hem Christus is en het sterven gewin.”

U groeide in de jaren dertig van de vorige eeuw op in een christelijk gezin in Zjitomir. Sprak het voor u vanzelf om zich aan te sluiten bij de baptistengemeente waartoe uw ouders behoorden?
„Helemaal niet. Als jongen van 16 jaar heb ik diepe twijfels gehad over het bestaan van God. Vooral bij mijn moeder had ik oprechte Godsvreze geproefd. Zij had mij de omgang met God intens voorgeleefd. Maar op school kreeg ik les van atheïstische docenten. Zij hadden veel invloed op mij.

Lange tijd werd ik hevig heen en weer geslingerd. Totdat ik een boekje in handen kreeg over het kwaad in de wereld en de rampspoed die de mensheid wachtte. Dat maakte onuitwisbare indruk op mij. Ik zag niet alleen de macht van de zonde om mij heen, maar ik zag die macht ook in mijzelf aanwezig.”

„Wat mijn moeder mij had verteld, kreeg toen onuitsprekelijke waarde voor mij: Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren te verlossen. Ik heb mijn hart oprecht voor de Heere geopend en Hem om vergeving gevraagd. Niet lang daarna, op mijn twintigste verjaardag, ben ik gedoopt. Dat gebeurde in een rivier bij de stad, ’s nachts in het maanlicht. Alleen de voorganger en twee getuigen waren daarbij aanwezig.”

In die tijd werd Rusland dictatoriaal geleid door Joseph Stalin. Wat herinnert u zich van hem?
„De hand van Stalin was overal merkbaar. Kort na mijn doop riep de schooldirecteur me bij zich. Of ik nog een diploma wilde halen, was zijn vraag. Natuurlijk wilde ik mijn technische opleiding graag afronden. Daarvoor was het beter, zei hij, dat ik niet meer in het openbaar over God zou spreken. Geloven was prima, maar dan wel stiekem.

Aanvankelijk dreigde ik overstag te gaan. Maar de tranen van mijn moeder bij het horen van mijn voornemen brachten mij tot inkeer. Samen zijn we op onze knieën gegaan en hebben we God om vergeving gevraagd. Ik kreeg geen diploma. Maar de pijn daarover woog niet op tegen de vreugde in mijn hart vanwege Gods nabijheid. Later heb ik vele malen ervaren dat God rijke troost geeft aan hen die Zijn Woord trouw blijven.

Toen Stalin in 1953 overleed, waren veel mensen diep bewogen. Wij niet. Wij waren blij. Aan zijn dictatuur was een einde gekomen.”

Na Stalin kwam Chroetsjov aan de macht, de man die een atoomoorlog met Amerika riskeerde. Klopt het dat hij de druk op christenen nog verder opvoerde?
„De eerste jaren van zijn bewind was er sprake van dooi. Dominees die ten tijde van Stalin waren opgepakt, mochten terugkeren naar hun huizen. Schrijvers als Solzjenitsyn kregen toestemming de Goelag Archipel te verlaten.

Eind jaren vijftig verandert Chroetsjovs toon. „Over twintig jaar vertoon ik de laatste christen op televisie”, zei hij. Chroetsjov draaide de duimschroeven aan. Kerken mochten niet meer evangeliseren. Catechese en zondagsschool werden verboden. Geloven mocht, maar alleen in het hart.

Uit veiligheidsoverwegingen zijn wij vanaf 1961 met zo’n dertig mensen aparte samenkomsten gaan beleggen. ’s Zondagsochtends kwamen we bijeen in het huis van mijn ouders. Dat bleef natuurlijk niet onopgemerkt. Het was onmogelijk om in het niets te verdwijnen.”

Kort daarna bent u bevestigd tot predikant. Was dat geen riskante onderneming?
„Zeker. In steden rondom Zjitomir waren al diverse broeders opgepakt en veroordeeld. Tijdens de bevestigingsdienst kwamen leden van de geheime dienst, de KGB, binnen. Dat gebeurde precies na het moment waarop de broeders mij de handen hadden opgelegd voor een zegen over mijn bediening en wij waren opgestaan van onze knieën.

De schaduw van een arrestatie heeft mij en mijn gezin van meet af aan achtervolgd. Toen de broeders mij hadden benaderd om predikant te worden, vroegen ze mijn vrouw: Bent u bereid uw man over te geven aan de dienst van God? Ja, zei ze, van harte. Ze wist wat de gevolgen konden zijn.”

U deed uw werk als Daniël in de leeuwenkuil?
„Dat is goed opgemerkt. Maar tot eer van God en Zijn genade zeg ik u: de leeuwen hebben mij niet verslonden. Als ik wist dat er leden van de KGB in de omgeving postten of tijdens een dienst aanwezig waren, preekte ik beter en met meer bewogenheid dan wanneer ze zich niet in de buurt ophielden. Wonderlijk? Ja, dat was het zeker. De Geest van God heeft dat in mij gewerkt.”

In 1966, kort na de machtsovername door Breznjev, werd u in Moskou opgepakt en tot 2,5 jaar verbanning veroordeeld. Hoe heeft u die tijd ervaren?
„Wij waren met 450 mensen naar Moskou gegaan en hebben er drie dagen en drie nachten doorgebracht voor de residentie van de president. We wilden een gesprek met Breznjev om te pleiten voor de vrijlating van onze voorgangers. Op de derde dag verschenen er paarden en overvalwagens in de straat. We werden massaal opgepakt. Uiteindelijk zijn zeventien mensen veroordeeld, ik was een van hen.”

„Samen met twee broeders kwam ik terecht in een strafkamp ver uit de buurt van Zjtomir. Het was bepaald geen vakantieoord. ’s Winters vroor het er tot 50 graden. De voeding was slecht, we aten elke dag kool. Slechts één keer in de tien dagen mochten we ons verschonen.

Veruit de meeste van de ongeveer 600 gevangenen werden tewerkgesteld in de bomenkap. Tot mijn vreugde mocht ik aan de slag in een naaiatelier: ik moest zorgen voor de kleding van de gevangenen.”

Hoe eenzaam en verloren was uw bestaan?
„De hand van de Heere was met mij. Ik heb me om die reden nooit verlaten gevoeld. Ik ben bovendien niet bang voor eenzaamheid. Het scheelde dat ik post mocht ontvangen. Regelmatig schreef ik zelf ook een brief aan mijn vrouw en kinderen.

In het begin van de jaren zeventig ben ik voor de tweede keer veroordeeld. Ik moest drie jaar doorbrengen in een zwaarbeveiligde gevangenis. Vanuit het raampje kon ik de regio zien waar mijn vrouw en kinderen woonden. Helaas mochten zij niet bij mij op bezoek komen. Het enige wat mij troost gaf, was dat ik niet ver van huis zat.

Ik ben nooit slecht behandeld in de gevangenis. Eerst moest ik meehelpen aan de productie van stalen vlechtwerken. Omdat mijn handen blauw en opgezwollen raakten, kreeg ik het beheer van de gereedschappen opgedragen. Gevangenen hadden respect voor me. Als ik in de barak mijn knieën boog voor een persoonlijk gebed, fluisterden ze quasispottend tegen elkaar: „Sst, de paus bidt.”

Via via kwam ik in het bezit van een Bijbel. Overdag verstopte ik die onder een kast in mijn werkplaats. ’s Avonds, als ik alleen was, studeerde ik erin. Twee jaar lang was mijn werkkamer zodoende mijn seminarie. Nooit eerder had ik zo veel tijd om mij in het Woord te verdiepen.”

Wat was uw grootste aanvechting tijdens uw gevangenschap?
„De vrees dat ik zat opgesloten omdat ik al te radicaal was. Moest ik niet meer bereidheid tonen tot het aangaan van compromissen? Was het niet beter dat mijn kinderen thuisbleven zodat ik zelf wel naar de kerk kon gaan? Andere predikanten deden dat toch ook? Waarom volgde ik hun voorbeeld niet?

Ik heb geleerd dat God met mensen verschillende wegen gaat. Zelf kon ik niet anders dan kiezen voor radicaliteit. Tegelijk voedde ik mijzelf op in tolerantie. Ik zag meer en meer in dat ik iemand niet mag veroordelen omdat hij een ander pad volgt dan het mijne.”

Het aantreden van Gorbatsjov in de jaren tachtig leidde tot glasnost en perestrojka, openheid en hervorming. Is de vergelijking met de figuur van de Perzische koning Kores, over wie Jesaja profeteert, terecht?
„De broeders en ik hebben die vergelijking vele malen gemaakt. Niemand heeft kunnen voorspellen dat de Sovjet-Unie uiteen zou vallen en dat er vrijheid voor de christelijke kerken zou komen. Geen van de politicologen in het Westen had deze omwenteling voorzien. Het is als met de steen in de profetie van Daniël: die rolde zonder toedoen van wie dan ook naar beneden om machtige rijken aan stukken te slaan.

De vreugde over de vrijheid was groot. Oekraïne werd een zelfstandige natie. Christenen kregen hun kerken terug. Nooit vergeet ik de eerste keer dat ik het nieuwe kerkgebouw betrad. In verwondering viel ik op mijn knieën neer. Het pad van de deur naar de kansel heb ik kruipend afgelegd, God dankend voor zijn genade.”

„De overheid gaf ons toestemming in Zjitomir een christelijke school te bouwen, de eerste van het land. Met financiële en materiële hulp van christelijke hogeschool de Driester in Gouda is het gebouw opgetrokken. Dat de autoriteiten mij ooit zouden toestaan christelijk onderwijs te organiseren, had ik dertig jaar geleden nooit kunnen dromen. Toen was het voor hen juist reden om mij te vervolgen.”

U ziet terug op een veelbewogen leven. Na uw gevangenschap heeft u twee kinderen moeten afstaan aan de dood. Hoe gaat u om met de vraag naar het lijden?
„Het verlies van mijn kinderen was heel zwaar. Toen mijn vrouw overleed, vervulde mijn hart zich eveneens met verdriet. In zulke moeilijke omstandigheden is er slechts één troost: God zorgt voor mij. Zonder Zijn wil valt er zelfs niet een haar van mijn hoofd, Zijn ogen zijn op mij geslagen.

God gaat met ieder van Zijn kinderen Zijn weg. Wij begrijpen die niet altijd, maar dat hoeft ook niet. Toen ik in de gevangenis belandde, kreeg ik contact met een moordenaar. We voerden gesprekken met elkaar over God en het geloof in Hem. Die man is tot bekering gekomen.”

Wat als het hart zich weigert te laten troosten?
Hij sluit zijn ogen en denkt na. Dan grijpt hij naar zijn Bijbel. „Voor mensen die wederom geboren zijn, is er geen andere troostbron dan Gods Woord. Ik heb twee teksten, een scherpe en een milde; het hangt van de persoon af welke ik zou voorlezen. De eerste staat in Lucas 14: „Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broeders en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.” De tweede is te vinden in Mattheüs 10: „Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.”

Het gaat erom dat wij God liefhebben boven alles. Dat kan ook niet anders als wij Hem kennen. Dan weten we Wie Hij is en dat Hij het altijd goed doet.”

U bent bijna 80 jaar. Ziet u op tegen het levenseinde?
„Nee. Ik richt me, zoals ik eerder zei, meer en meer op de woorden van Paulus: Het leven is mij Christus, het sterven is mij gewin. Paulus heeft een verlangen om bij Christus te zijn. Dat is zeer verre het beste, schrijft hij. Ik herken dat bij mezelf.”

Hoe stelt u zich het hemelleven voor?
„Wie ben ik om daar iets van te zeggen? De apostel zegt dat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben. Als op aarde de omgang met God al zo goed en zoet is, hoe zal de nabijheid met Hem in de hemel dan niet zijn? De gelukzaligheid die ons hier ten deel valt, zal daar eeuwig en in een rijke mate voortduren.”


Levensloop
Ds. Daniïl Michaïlowicz Vinogradsky werd op 11 juli 1930 in Zjitomir (Oekraïne) geboren. Hij volgde een technische opleiding, maar kreeg omwille van zijn geloof geen diploma. Op 20-jarige leeftijd sloot hij zich aan bij de baptistengemeente in zijn woonplaats. Hij was 34 jaar toen hij tot predikant werd bevestigd.

Vanwege toenemende repressie in de voormalige Sovjet-Unie vormde ds. Vinogradsky begin jaren zestig een huisgemeente in de woning van zijn ouders. Vanaf het eerste uur maakte hij deel uit van de broederraad van de unie van autonoom geregistreerde gemeenten in Oekraïne (13.000 leden).

De predikant werd tot twee keer toe vanwege zijn geloof veroordeeld tot een gevangenisstraf. In de jaren zeventig kreeg hij contact met de reformatorische stichting Kom Over En Help (KOEH) voor hulp in voormalige Oostbloklanden. Hij organiseerde een netwerk voor ondergrondse Bijbelverspreiding.

Na de val van het IJzeren Gordijn kreeg ds. Vinogradsky de beschikking over een vernieuwd kerkgebouw in Zjitomir. Met financiële en materiële hulp van christelijke hogeschool de Driestar in Gouda zette hij een christelijke school op. Die wordt inmiddels bezocht door ongeveer 200 leerlingen.

Ds. Vinogradsky huwde in 1957 met Raïsa Ivanovna Linik-Vinogradskaya (-aya is een vrouwelijke vervoeging). Zijn vrouw overleed bijna twee jaar geleden. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, van wie er twee zijn overleden, en 26 kleinkinderen.